Instrumentendatabank

De instrumentendatabank biedt een overzicht van ruim 200 instrumenten die gebruikt worden binnen de forensische psychiatrie. In de instrumentendatabank wordt ieder instrument kort beschreven en informatie gegeven over het type instrument, de validiteit en betrouwbaarheid, de afnameduur, de belangrijkste literatuurbronnen en waar het instrument te verkrijgen/downloaden is.

Naam Type instrument Omschrijving
Stroop Kleur Woord test Neuropsychologische test De Strooptest geeft een maat voor interferentiegevoeligheid. Gekeken wordt of de cliënt een dominant, verbale respons kan onderdrukken. De test geeft hiernaast informatie over de selectieve aandacht en in hoeverre deze kan worden volgehouden. In de rapportage gebruik je de interferentiescore om de aandacht te beschrijven. De test bestaat uit drie kaarten en een antwoordformulier. Kaart I: 10 rijen met de namen van de kleuren rood, groen, geel en blauw (zwart gedrukt). Kaart II: 10 rijen met rechthoekjes in deze kleuren. Kaart III: 10 rijen met kleurnamen in kleur gedrukt, terwijl de drukkleur verschilt van de kleurnamen. De tijd die nodig is om kaart I te lezen en van III de kleur te benoemen en de tijd om de kleuren te benoemen van kaart II worden genoteerd. Vooraf moet gecontroleerd worden op partiële kleurenblindheid. Doelgroep: kinderen, jongeren en volwassenen (8-65 jaar).
SumID-Q Screener Met de Substance use and misuse in Intellectual Disability Questionnaire (SumID-Q; Van der Nagel et al., 2011) kan systematisch het gesprek over middelengebruik worden aangegaan bij mensen met een verstandelijke beperking. Het instrument is geschikt om af te nemen op indicatie, maar is ook bedoeld voor het systematisch screenen van alle cliënten die in zorg zijn. De SumID-Q bestaat uit een interview dat onder andere in kaart brengt welke psychoactieve stoffen de cliënt kent, wat er in zijn omgeving wordt gebruik, wat hij zelf eventueel gebruikt en hoe groot de motivatie tot veranderen is. De SumID-Q kan worden afgenomen door begeleiders en gedragsdeskundigen. De SumID-Q kan ook worden ingezet ten behoeve van monitoring van middelengebruik onder LVB. Op cliëntniveau kan bij herhaald afnemen van de SumID-Q het gebruik van middelen gevolgd worden. Deelnemers aan de SumID-Q trainingen is daarom geadviseerd elke twee jaar een meting uit te voeren. Instellingen die de SumID-Q structureel invoeren en data op geaggregeerd niveau verzamelen kunnen in de eigen instelling trends signaleren. Met de implementatie van de SumID-Q in meerdere instellingen is een basis gelegd om landelijk trends in middelengebruik bij cliënten met LVB te monitoren (ZonMw). De SumID-Q is ontworpen om bij volwassenen met een Lichte Verstandelijke Beperking afgenomen te worden, maar blijkt ook voor jongeren of mensen met een iets lager of hoger niveau geschikt. Zie ook: https://www.tactus.nl/storage/98b2a5c21c9b587e417b3bd360e96308aec2a41b/files/Flyer_SumID-Q.pdf
SVR-20 Risicotaxatie-instrument De in Canada ontwikkelde Sexual Violence Risk-20 (SVR-20; Boer, Hart, Kropp, & Webster, 1997) is het bekendste instrument voor zedendelinquenten dat werkt volgens de methode van het gestructureerde klinische oordeel. Het gebruik van dit instrument is sinds 2004 verplicht bij de beoordeling van verlofaanvragen bij TBS-patiënten. De 20 items zijn deels gekozen op grond van onderzoek, deels op grond van inzichten van deskundigen. De items zijn onderverdeeld in de volgende drie domeinen. • Psychosociale aanpassing (11) • Seksuele delicten (7) • Toekomstplannen (2) Slechts vier items zijn dynamisch van aard. De mate waarin plegers hun delicten ontkennen, minimaliseren of goedpraten, hun houding tegenover de behandeling en hun eigen toekomst zijn de factoren in de SVR-20 die te veranderen zijn. Alle items worden gescoord op een driepuntsschaal: aanwezig, waarschijnlijk of enigszins aanwezig, en afwezig. Een aantal items houdt een klinisch oordeel of een klinische inschatting in. Men kan de lijst met factoren per geval aanvullen met eventuele extra risico- en beschermende factoren. Het eindoordeel is geen optelsom, maar een klinisch oordeel op grond van de besproken risicofactoren. De pleger komt op grond van het eindoordeel terecht in de risicocategorieën laag, matig of hoog. De SVR-20 is moeilijk te scoren. Daarnaast ontbeert een aantal opgenomen factoren, bijvoorbeeld ontkenning, eenduidige empirische steun. Verder ontbreken sommige algemeen geaccepteerde risicofactoren (zoals het aantal eerdere seksuele delicten). Aan een revisie wordt gewerkt (Boer, pers. comm., 2009). De SVR-20 is in gebruik in de TBS-sector (Hildebrand, De Ruiter & Van Beek, 2001).
TCI en VTCI Persoonlijkheidsvragenlijst De Temperament and Character Inventory (TCI; Nederlandse versie, Temperament en Karakter Vragenlijst; Duijsens & Spinhoven; 2000) en de Verkorte Temperament and Character Inventory (VTCI; Nederlandse versie, Verkorte Temperament en Karakter Vragenlijst; Duijsens & Spinhoven, 2001) brengen temperament en karakter in kaart. In respectievelijk 240 en 105 vragen worden temperaments- en karakterdimensies van de persoonlijkheid in kaart gebracht (hoofdschalen prikkelzoekend, leedvermijdend, sociaalgericht, volhardend, zelfsturend, coöperatief en zelftranscendent). Doelgroep: Adolescenten en volwassenen van 15 tot 79 jaar met een voldoende leesvaardigheid. TCI is een bewerking van de Temperament and Character Inventory van Cloninger et al. (1994).
TMS-f Zelfrapportagevragenlijst. Met de Therapie Motivatie Schalen (TMS-F; Drieschner & Boomsma, 2008), een zelfrapportagevragenlijst, wordt informatie verkregen over de motivatie van de patiënt en zijn inzet voor de behandeling op basis van zes cognitieve en emotionele factoren. Dat zijn: probleembesef, lijdensdruk, subjectieve justitiële druk, subjectieve prijs van de behandeling, subjectieve geschiktheid van de behandeling en succesverwachting. Veelal wordt verondersteld dat zelfrapportage-instrumenten onbruikbaar zijn voor forensische patiënten omdat veel patiënten zich sociaal wenselijk zouden presenteren. Analyses waarbij de scores daarvoor gecorrigeerd zijn, wijzen uit dat deze opvatting niet houdbaar is.
ToM test (Semi-) gestructureerd interview De Theory of Mind test (ToM test; Steerneman et al., 2000) meet perceptie en imitatie, emotieherkenning, doen-alsof, onderkennen van verschil tussen mentale en fysische wereld, denken over iets (first order beliefs), denken over denken (second order beliefs) en bedrog en misleiding (false beliefs) en humor. Er zijn normen voor kinderen met en zonder ontwikkelingsstoornissen. Doelgroep: Kinderen van 5-12 jaar. Voor meer informatie zie ook: http://www.nji.nl/eCache/DEF/1/23/643.dWl0Z2VicmVpZD0x.html
Tower of London Neuropsychologische test De Tower of London onderzoekt het probleemoplossend vermogen (Culbertson & Zillmer, 2001, 2005). Het instrument kan gebruikt worden voor het vaststellen van een planningsstoornis of planningsprobleem. De test is bedoeld voor klinische groepen waarbij sprake is van cognitieve problemen met het executief functioneren. Er wordt een beroep gedaan op het vermogen tot het uitstippelen van een stappenplan om een specifiek doel te bereiken. De opdracht is om drie gekleurde blokjes te verplaatsen vanuit een standaardconfiguratie op drie staafjes met verschillende lengte naar een doelpositie met een minimum aantal verplaatsingen. De opdrachten lopen op in moeilijkheidsgraad, het aantal noodzakelijke verplaatsingen loopt op van twee naar zeven. Voor elke opgave is een maximum tijd van 60 seconden, er zijn twee pogingen mogelijk per opgave. Bij een lage testprestatie worden op de testversie van 2005 alleen de eerste 12 opgaven afgenomen.
Trailmaking test Neuropsychologische test De Trailmaking Test, onderdeel van de Reitan-Halstead batterij, is een visuele zoektaak, waarbij snelheid van eenvoudige visuele informatieverwerking en cognitieve flexibiliteit en aandacht gemeten worden (vermogen tot conceptshifting en verdeelde aandachtsfunctie). Deze test bestaat uit vorm A, B en vorm C. A bestaat uit cijfers, B uit letters en C uit zowel cijfers als letters. Er bestaat ook een AB versie, hierbij bestaat A uit cijfers en B uit cijfers en letters. De interferentiescore is het verschil in tijd tussen vorm A en B. Van de Trail making Test zijn verschillende varianten in omloop. De meest recente wordt uitgegeven door Pearson Assessments and Informations B.V. en is een onderdeel van de D-KEFS. Deze Trail Making Test bestaat uit 5 condities, in plaats van 2 (Trail Making Test handleiding, Delis, Kaplan, Kramer, 2007). Ook deze taak doet een uitspraak over de mentale flexibiliteit van een cliënt (switching). Doelgroep: vanaf 12 jaar mits intacte visuomotoriek.
TRF Gedragsvragenlijst De vragenlijst is een bewerking van de Teacher's Report Form (TRF; Achenbach, 1991). De Gedragsvragenlijst voor kinderen, Informatie Leerkracht (TRF, Teacher’s Report Form for Ages 6-18; Verhulst et al., 1997) is een vragenlijst waarop leerkrachten vragen kunnen beantwoorden over schoolwerk, functioneren en emotionele en gedragsproblemen. Ook kunnen leerkrachten scores op schoolvorderingstoetsen en intelligentietests vermelden. De TRF omvat 118 probleemvragen waarvan 93 ook op de CBCL/6-18 voorkomen. De andere vragen gaan over gedrag dat ouders niet goed kunnen waarnemen, zoals: vindt het moeilijk om aanwijzingen op te volgen, stoort andere leerlingen, veroorzaakt onrust in de klas. Leerkrachten kunnen aangeven hoe goed een vraag bij een leerling past in de afgelopen twee maanden met dezelfde antwoordcategorieën als voor de CBCL/4-18. De TRF omvat de schalen Schoolresultaten, Functioneren en empirische en DSM-schalen met dezelfde betekenis als op de CBCL/6-18. Zie ook: http://www.nji.nl/nl/Databanken/Databank-Instrumenten-en-Richtlijnen/Teachers-Report-Form-(TRF)
TriPM Diagnostiek DeTriarchic Psychopathy Measure (TriPM; Nederlandse versie; Soe-Agnie et al., 2011) is de nieuwste maat voor het diagnosticeren van psychopathie. Uniek aan dit instrument is dat het niet vanuit de PCL-R gevormd is. Het instrument bestaat uit 58 items die op een vierpuntschaal gescoord moeten worden. De TriPM meet drie elementen: stoutmoedigheid (19 items), laaghartigheid (19 items) en disinhibitie (20 items). Het is ook mogelijk om vanuit deze dimensies subtypes te definiëren. Dit concept is mogelijk nuttig om succesvolle psychopaten te diagnosticeren.
UCL Zelfrapportagevragenlijst Het doel van de Utrechtse Copinglijst (UCL; Schreurs et al., 1984) is het vaststellen van het karakteristieke copinggedrag bij confrontatie met problemen of aanpassingvereisende gebeurtenissen. Als basis voor de ontwikkeling van een Nederlandstalige copinglijst werd de classificatie van copinggedrag van Westbrook (1979) genomen. Twaalf items van de Westbrooklijst werden gehandhaafd, de rest werd gewijzigd of verwijderd. Daarnaast werden nieuwe items geconstrueerd. De UCL bevat 47 items en 7 subschalen: 1. Actief aanpakken en confrontern ( 7items) 2. Palliatieve reactie (8 items) 3. Vermijden en afwachten (8 items) 4. Sociale steun zoeken (6 items) 5. Passief reactiepatroon (7 items) 6. Expressie van emoties/boosheid (3 items) 7. Geruststellende en troostende gedachten (5 items) Men moet op een vierpuntsschaal (1 ‘zelden of nooit’, 2 ‘soms’, 3 ‘vaak’, 4 ‘zeer vaak’) aangeven hoe vaak men in het algemeen op de beschreven manier reageert op problemen of onplezierige gebeurtenissen. Doelgroep: adolescenten en volwassenen vanaf 14 jaar.
VABS Semigestructureerd interview De Vineland Adaptive Behavior Scales (VABS; Sparrow, Balla, & Cichetti, 1984; 2005) brengt adaptief gedrag in kaart op vier domeinen: Communicatie, Dagelijkse Vaardigheden, Socialisatie en Motoriek. De VABS werkt met leeftijdsequivalenten. De VABS wordt afgenomen in de vorm van een interview waarbij naar vaardigheden vanaf de geboorte wordt gevraagd. Doelgroep: 0-90 jaar. Er bestaan een verkorte versie, de Vineland Survey, en een versie voor kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking, de Vineland-Z. In Nederland is de VABS sinds 1995 beschikbaar door de vertaling van de Vakgroep Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Leiden (Vineland Adaptive Behavior Scales Nederlandse Vertaling; Van Berckelaer-Onnes, Buysse, Dijkxhoorn, Gooyen, & Van der Ploeg, 1995).
Vineland-Z Interview Doel van de Vineland-Z (Bildt & Kraijer, 2003) is een beeld te krijgen van de sociale redzaamheid van kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking. De Vineland-Z is een open interview met in totaal 225 items. Het interview beslaat drie subdomeinen: communicatie, dagelijkse vaardigheden en socialisatie. De Vineland-Z is een vertaling en sterke inkorting van de Vineland Adaptive Behavior Scales (VABS), ontwikkeld in 1984 in de Verenigde Staten. Doelgroep: jeugdigen van 4 tot 18 jaar met een verstandelijke beperking. Zie ook: http://www.nji.nl/nl/Databanken/Databank-Instrumenten-en-Richtlijnen/Vineland-Z
VKP Screeningsinstrument De Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijheid (VKP; Duijsens et al., 1995) wordt gebruikt voor het screenen van persoonlijkheidsstoornissen volgens de classificatiesystemen DSM IV/ICD 10. De VKP bestaat uit 197 vragen, te beantwoorden met “waar”, “?” of “onwaar”. De uitspraken hebben betrekking op de laatste vijf jaar. De VKP meet twaalf persoonlijkheidsstoornissen volgens het DSM-IV classificatiesysteem en negen stoornissen volgens de ICD-10. Daarnaast is nog een experimentele stoornis, de depressieve persoonlijkheidsstoornis opgenomen. Aan de hand van de vragen wordt nagegaan of men voldoet aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis. Doelgroep: volwassenen vanaf 18 jaar met voldoende kennis van de Nederlandse taal. De VKP is gebaseerd op de International Personality Disorder Examination (IPDE), ontwikkeld onder auspiciën van de World Health Organization (WHO).Momenteel is er ook al een DSM-5 opvolger van de VKP beschikbaar (zie VKP-5 in deze databank).
VKP-5 Screeningsinstrument De Vragenlijst voor Kenmerken van de Persoonlijkheid-5 (VKP-5; Duijsens, Eurelings-Bontekoe & Diekstra, 2017; zie https://www.datec.nl/vkp/) wordt gebruikt om te screenen op persoonlijkheidsstoornissen volgens de classificatiesystemen DSM-5. De VKP-5 is de opvolger van de VKP en begin 2017 beschikbaar gekomen. De VKP was gebaseerd op de DSM-IV en ICD-10. De VKP-5 bestaat uit 101 vragen, te beantwoorden met “waar”, “?” of “onwaar”. De uitspraken hebben betrekking op de laatste vijf jaar. De VKP-5 meet tien persoonlijkheidsstoornissen volgens het DSM-5 classificatiesysteem, waarbij elke stoornis op drie niveaus wordt gemeten (categoriale diagnose, categoriale score en de dimensionele score). De VKP-5 is afgeleid van de International Personality Disorder Examination (IPDE), ontwikkeld onder auspiciën van de World Health Organization (WHO). Er is een vertaalslag gemaakt naar de DSM-5 waarbij de namen van enkele persoonlijkheidsstoornissen zijn aangepast, en een aantal stoornissen zijn vervallen. De criteria zijn hetzelfde gebleven als bij de DSM-IV versie. Door de korte afnameduur is de VKP-5 een uitermate geschikt screeningsinstrument voor de selectie van cliënten die voor het meer tijdrovende (en dus kostbaarder) IPDE-interview in aanmerking komen. Om de overeenstemming tussen VKP-5 en IPDE zo groot mogelijk te houden, is waar mogelijk eenzelfde formulering van de vragen gehanteerd; ook wordt eenzelfde instructie gebruikt. Er zijn geen gegevens bekend over gebruik of validering van de VKP in de forensische populatie.
VRAG Risicotaxatie-instrument De Violence Risk Appraisal Guide (VRAG; Quinsey, Harris, Rice, & Cormier, 1998, 2006) is een Amerikaans-Canadees risicotaxatie-instrument, bestaand uit 12 statische items en ontwikkeld door Harris (Dolan & Doyle, 2000). De PCL-R-score is daar één van. Er is een Nederlandse versie beschikbaar, maar dit is een ongepubliceerd intern document (Jeandarme et al., 2010).
Waagschaal Risicotaxatie-instrument De Waagschaal (Van Horn et al., 2007, 2008) is een gestructureerd klinisch risicotaxatie-instrument voor ambulante forensisch psychiatrische instellingen, bestaande uit (delen van) diverse andere risicotaxatie-instrumenten, waaronder de Static-99, SVR-20 en SONAR. De Waagschaal bevat zowel statische als dynamische items. De inhoud van de items varieert van relatief eenvoudig vast te stellen feiten tot veel moeilijker vast te stellen aangelegenheden die een klinisch oordeel vergen. Het recidiverisico loopt van ‘laag’, ‘laag - matig’, ‘matig’, ‘matig - hoog’ tot ‘hoog’. Op grond van toetsing in de poliklinische behandelpraktijk is de Waagschaal geschikt bevonden voor afname in heel professionele ambulante settings. De Waagschaal is sinds januari 2006 als standaard risicotaxatie-instrument in gebruik in acht vestigingen van De Waag.
WAIS-IV-NL Intelligentietest De Wechsler Adult Intelligence Scale-IV (WAIS-IV-NL (Pearson, 2012)) meet de algemene intelligentie, het IQ, van adolescenten en volwassenen. De vijftien subtests van de WAIS-IV-NL meten uiteindelijk de factoren Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid. De WAIS-IV-NL is een individueel toepasbaar klinisch instrument waarmee het intellectuele vermogen van adolescenten en volwassenen tussen de 16 en 84 jaar en 11 maanden kan worden bepaald. De WAIS-IV-NL kan ingezet worden als psycho-educationele test, als hulpmiddel bij klinisch onderzoek en om neuropsychologische en psychiatrische stoornissen vast te stellen. De Wechsler Adult Inteligence Scale-III (WAIS-III-NL; Uterwijk, 2000) is een individueel toepasbaar klinisch instrument waarmee het intellectuele vermogen van volwassenen tussen de 16 en 85 jaar kan worden bepaald. De WAIS-III-NL bestaat uit 16 subtests, waarvan er 2 optioneel zijn. 1. Onvolledige Tekeningen, 2. Woordenschat, 3. Symbool Substitutie, 4. Overeenkomsten, 5. Blokpatronen, 6. Rekenen, 7. Matrix Redeneren, 8. Cijferreeksen, 9. Informatie, 10. Plaatjes Ordenen, 11. Begrijpen, 12. Symbool Zoeken, 13. Cijfers en Letters, 14. Figuur Leggen, 15. Symbool Kopiëren (optioneel) en 16. Symbool Substitutie/Incidenteel leren (optioneel). Verbale en Performale subtests worden afwisselend afgenomen. Dit stelt de proefleider in staat de aandacht van de cliënt langer vast te houden
WASI Intelligentietest De Wechsler Abbreviated Scale of Intelligence (WASI; Wechsler, 1999) is de verkorte vorm van WAIS-III-NL. De WASI wordt slechts aangeraden als screeningsinstrument voor het onderscheid tussen een zwakbegaafd en een (laag)gemiddeld begaafd niveau van intellectueel functioneren. In de praktijk wordt de WASI weinig gebruikt en wordt vaker gekozen voor het verkorten van de WAIS-III door slechts enkele subtests af te nemen.
WCST Neuropsychologische test De Wisconsin Card Sorting Test (WCST; Lezak et al., 2004) is bedoeld om abstract redeneren en switching in kaart te brengen. Het is een discriminatie-leertaak waarbij gekeken wordt naar zogenoemde schiftingproblematiek. Het is een taak die flexibiliteit vereist en problemen weergeeft in de organisatie van gedrag. De Modified Wisconsin Card Sorting Test (M-WCST) is een aangepaste versie van de originele WCST, met 48 in plaats van 128 kaarten. Alle kaarten die op meer dan één eigenschap overeenkomen met de stimuluskaart zijn weggelaten. Samen met enkele andere aanpassingen resulteert dit in een test die gemakkelijker te begrijpen is voor ouderen of mensen met een stoornis. Daarnaast is er een Nederlandstalige computervariant van de WCST (WCST handleiding, Van Schijndel, 1994).
WISC-III-NL Intelligentietest De Wechsler Intelligence Scale for Children - Third edition - Nederlandstalige bewerking (WISC-III NL; Kort et al., 2005) is een algemene intelligentietest voor kinderen en jeugdigen van 6 tot 17 jaar. De WISC-III NL kent dertien subtests, waarvan zes de verbale intelligentie meten en zeven de performale intelligentie. Tien subtests vormen de basistest. De resterende tests zijn twee optionele en een aanvullende  subtest. De subtests worden aangeboden in de vorm van gekleurde plaatjes, mondelinge vragen, rekenopgaven, geometrische patronen, legpuzzels, symbolen en doolhoven. Zie ook: http://www.nji.nl/nl/Wechsler-Intelligence-Scale-for-Children---Third-edition---Nederlandstalige-bewerking-%28WISC-III-NL%29
WISPI-IV Zelfrapportagevragenlijst De Wisconsin Personality Disorders Inventory (WISPI-IV; Klein et al., 1993) is een screener die enerzijds gebaseerd is op de DSM-categorieën van as-II en anderzijds ook op het persoonlijkheidsstoornissenmodel ontwikkelt door Benjamin, de Structural Analysis of Social Behavior. De screener heeft 214 items die op een 10-puntsschaal dienen te worden gescoord.
WNV-NL Intelligentietest De Wechsler Non Verbale test –Nederlands (WNV-NL; Wechsler & Naglieri, 2008) is een intelligentietest bestemd voor kinderen, adolescenten en jongvolwassenen van 4 tot 21 jaar. De test wordt aanbevolen bij individuen met gehoor- en taalproblemen, een stoornis binnen het autistisch spectrum, en allochtone kinderen, adolescenten en jongvolwassenen. Er wordt gebruik gemaakt van pictogrammen. Zie ook: http://www.nji.nl/nl/Databanken/Wechsler-Nonverbal-Scale-of-Ability---Nederlandstalige-versie-(WNV-NL)
ZALC Zelfrapportage-vragenlijst De Zinnenaanvullijst Curium (ZALC; Westenberg et al., 2000) wordt gebruikt voor het meten van de psycho-sociale of sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en jongeren.Op basis van 32 'itemscores' wordt één 'totaalscore' berekend, die indicatief is voor het ego-ontwikkelingsstadium van het kind of de jongere. De ZALC maakt onderscheid tussen vijf ego-stadia: impulsief, zelfbeschermend, conformistisch, zelfbewust en verantwoordelijk. Op basis van een vergelijking met leeftijdsgegevens kan een indruk worden verkregen van de ontwikkeling ten opzichte van leeftijdsgenoten De ZALC is bedoeld voor kinderen en jongeren van 8 tot en met 25 jaar. Er zijn zes verschillende versies van de ZALC: een versie voor 8-12-jarigen, 13-18-jarigen, en 19-25-jarigen. Voor elke leeftijdsgroep is er een aparte versie voor meisjes/vrouwen en jongens/mannen (Pearson uitgeverij, 2011). Het is een Nederlandstalige bewerking van de Jane Loevingers, Washington University Sentence Completion Test of Ego Development (WUSCT). Zie ook: http://www.pearsonclinical.nl/zalc-complete-set-1?sqr=ZALC&
ZAV Assessment De Zelf-Analyse Vragenlijst (Van der Ploeg, Defares & Spielberger, 1982) is een bewerking van de Spielberger State-Trait Anger Scale. De lijst wordt geacht boosheid en woede te meten en wel als toestand en als dispositie. De vragenlijst bestaat uit twee maal tien items die gescoord moeten worden op een vierpuntsschaal. Het is een handzaam instrument dat aangeeft in hoeverre boosheid en woede situationeel bepaald zijn of verband houden met een persoonlijkheidskenmerk.