Instrumentendatabank

De instrumentendatabank biedt een overzicht van ruim 200 instrumenten die gebruikt worden binnen de forensische psychiatrie. In de instrumentendatabank wordt ieder instrument kort beschreven en informatie gegeven over het type instrument, de validiteit en betrouwbaarheid, de afnameduur, de belangrijkste literatuurbronnen en waar het instrument te verkrijgen/downloaden is.

Naam Type instrument Omschrijving
PDQ-4+ Zelfrapportage-instrument De Personality Diagnostic Questionnaire-4+ (PDQ-4+, Nederlandse versie; Akkerhuis, Kupka, Groenestijn & Nolen, 1996) kent twee versies: een die de persoonlijkheidsstoornissen conform de DSM-IV meet (PDQ-R), en een die ook de experimentele persoonlijkheidsstoornissen in kaart brengt (PDQ-4+). De PDQ-4+ bestaat uit 99 items, waarbij de patiënt wordt gevraagd of een stelling op hem/haar van toepassing is (juist/onjuist).
Polygraaf Psychofysiologisch instrument In het polygrafische interview stelt de interviewer specifieke vragen, terwijl men een aantal lichamelijke reacties meet (hartslag, ademhaling, huidgeleiding en bloeddruk). Het idee is dat wanneer iemand liegt hij andere lichamelijke reacties vertoont dan wanneer hij de waarheid spreekt. Door na te gaan bij welk antwoord er afwijkende psychofysiologische reacties optreden, kan men nagaan welk antwoord mogelijk op een leugen berustte. Het polygrafische interview geldt als een manier om de kwaliteit van de zelfrapportage te verhogen. In Nederland gebruikt men de polygraaf tot nu toe alleen sporadisch voor wetenschappelijk onderzoek. In beginsel kan men de instrumentele utiliteit van de polygraaf aanzienlijk vergroten door individuele uitkomsten te kalibreren aan andere maten (gelaatsuitdrukkingen, ander non-verbaal gedrag en interviewgegevens) en gebruik te maken van software die individuele patronen kan identificeren en herkennen. Zo zou men meer greep kunnen krijgen op de grote individuele specificiteit van dit samenstel van maten. In combinatie met een GSM-applicatie zou men dan bepaalde patronen als draadloze signalen kunnen gebruiken, die aangeven dat er sprake is van een verhoogd risico. De technologie hiervoor is in ontwikkeling.
PPI Zelfrapportage-instrument Lilienfeld en Andrews kwamen in 1996 met de Psychopathic Personality Inventory (PPI, Nederlandse vertaling; Jelicic, Merckelbach, Timmermans & Candel, 2004). Dit instrument wordt ook wel de Personality Styles Inventory (PSI) genoemd (klinkt neutraler, dan geeft de titel voor respondenten niet aan waarover de lijst specifiek gaat). De PPI meet kernsymptomen van psychopatie. De PPI telt 187 items, die zijn verdeeld over acht subschalen en drie afzonderlijke validiteitsschalen. De subschalen zijn de volgende; Machiavelliaanse Egocentriciteit, Sociale Potentie, Onbevreesdheid, Ongevoeligheid, Impusief/Non-conformisme, Extrenalisatie van Schuld, Onbezorgdheid en Gebrek aan Doelgerichtheid, Stress Immuniteit. Naast de 8 subschalen zijn er 3 validiteitsschalen; Afwijkende beantwoording, Onwaarschijnlijke deugden, Variabele responsinconsistentie.
PPI-R Zelfrapportage-instrument De vernieuwde versie van de Psychopathic Personality Inventory (PPI) uit 2005, de PPI-R, heeft de kracht van het originele instrument behouden terwijl de psychometrische kwaliteit is verbeterd. Deze versie is nu in het Nederlands vertaald en bewerkt (Uzieblo et al, 2010). Het instrument geeft scores op de volgende drie factoren: Egocentrische impulsiviteit, onbevreesde dominantie en ongevoeligheid. Deze drie factoren zijn weer onderverdeeld in acht schalen. Er zijn tevens vier validiteitsschalen. De Nederlandse bewerking van de PPI-R bestaat uit 154 items die door de cliënt zelf beantwoord worden. Afname is mogelijk bij volwassenen vanaf 18 jaar en kan worden gebruikt in zowel forensische en klinische populaties als bij de algemene bevolking.
QuickScan Screeningsinstrument De QuickScan (De Ruiter & De Jong, 2007) is een instrument van de drie reclasseringsorganisaties waarmee in korte tijd het recidiverisico, de mate van ontvankelijkheid voor gedragsverandering en een (eventueel) zinvol vervolg kan worden bepaald. Het instrument kan al tijdens de vroeghulp worden ingezet. Wanneer er voldoende tijd en informatie beschikbaar is, wordt het instrument gebruikt om snel een beeld te geven van de problematiek. Op basis hiervan kan de reclassering een voorlopige indicatie geven van onder andere het recidiverisico aan de betrokken partijen (OM/ZM). De QuickScan bevat indicatoren waarvan de samenhang met recidive is aangetoond. Er moet nog onderzocht worden in hoeverre de QuickScan de recidivekans goed kan voorspellen.
RAF-GGZ Risicotaxatie-instrument De Risicotaxatie-instrument Ambulante Forensische GGZ (RAF-GGZ, voorheen de Waagschaal; Van Horn, Wilpert, Eisenberg, Scholing, & Mulder, 2012) is ontwikkeld door de Waag en is één van de weinige risicotaxatie-instrumenten voor de ambulante forensische zorg in Nederland. Het is een checklist waarmee je het risico op herhaling van delictgedrag van een cliënt kunt inschatten.
RBMT Neuropsychologische test De Rivermead Behavioural Memory Test (RBMT; Wilson, Cockburn & Baddeley, 2003; Nederlandse bewerking; Van Balen & Groot Zwaaftink, 1987; Van Balen & Wimmers, 1993) is een testbatterij voor het waarnemen van stoornissen in het alledaagse geheugen en voor het vastleggen van veranderingen hierin volgend op behandeling van geheugenproblematiek. De schalen zijn: onmiddellijke herinnering, uitgestelde herinnering en herkenning. De doelgroepen zijn: kinderen, jongeren, volwassenen en personen met hersenletsel (10-65 jaar).
RCFT Neuropsychologische test De Rey Complex Figure Test (RCFT; Rey, 1941) meet perceptuele organisatie en visueel geheugen. De werkwijze bij het uitvoeren van de test geeft informatie over de visuo-spatiele en visuo-constructieve functies. De kopieertaak van de figuur van Rey doet een beroep op het overzichtsvermogen. De proefpersoon wordt gevraagd een figuur na te tekenen. Na een pauze van 15 minuten wordt gevraagd de figuur nog eens te tekenen. Doelgroep: Is oorspronkelijk bedoeld voor volwassenen maar kan ook bij kinderen worden afgenomen.
RCQ Zelfrapportagevragenlijst. De Resilience and Coping Questionnaire (RCQ) (52 items) meet de mate waarin iemand opgewassen is tegen de moeilijkheden en uitdagingen van het leven. Iedereen heeft wel eens met een tegenslag te maken of gaat een bepaalde uitdaging aan. Mensen reageren vaak heel verschillend als zij met problemen of onplezierige gebeurtenissen te maken krijgen. Wat men in een bepaald geval doet, hangt sterk af van de aard van het probleem of de gebeurtenis en de ernst ervan. Toch reageert men over het algemeen wat vaker op de ene dan op de andere manier. Het draagkrachtmodel RCQ bestaat uit drie psychosociaal gerelateerde concepten: resilience, sense of coherence (SOC) en self-efficacy. SOC is een sleutelelement voor het ontwikkelen van een adequate copingstrategie en self-efficacy is ‘the belief in one’s capabilities to organize and execute the sources of action required to manage prospective situations’.
RISc Risicotaxatie-instrument De Recidive Inschattingsschalen (RISc; Adviesbureau Van Montfoort & Reclassering Nederland, 2004) is een al gedetailleerd uitgewerkt risicotaxatie-instrument. De RISc wordt gebruikt door de reclassering. De RISc is opgebouwd uit drie onderdelen, ook wordt wel van niveaus gesproken: 1 basisdiagnostiek, 2 verdiepingsdiagnostiek en 3 indicatiestelling voor een interventie. Er worden 12 criminogene factoren onderzocht waaronder denkpatronen. Om een risicotaxatie uit te voeren hoort kennis genomen te worden van het dossier, is er minstens een gesprek met de (ex-)delinquent en wordt aan hem/haar zelfrapportage gevraagd. Dan volgt scoring en profiel waarna collegiaal overleg kan plaatsvinden, gevolgd door eventuele verdiepingsdiagnostiek, alles tezamen resulterend in een samenvattend beeld. Daarna kan wederom collegiaal overleg plaatsvinden, en eventueel een indicatie gesteld worden Het goede en al redelijk ver ontwikkelde aan de RISc is dat het instrument geen verzameling items is, maar een combinatie van schalen (13 subschalen), waarbij elke schaal bestaat uit een aantal items (in totaal 75 items). De per item resulterende score (0, 1 of 2) worden opgeteld tot een ruwe score per schaal die wordt omgezet in een standaardscore. De lijst is veelbelovend door de directe link met te nemen maatregelen. Zie ook: http://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Instrumenten/Zoek-een-instrument/Recidive-Inschattings-Schalen-(RISc)
RIVJU Riscotaxatie-instrument RIsicotaxatie Verslaafde JUstitiabelen (RIVJU; Lammers et al, 2012; Lammers, Kokkelink, De Haan & Nijman, 2015) is een checklist die als oogmerk heeft om voor verslaafde justitiabelen de kans op recidive in delictgedrag in te schatten. De RIVJU is ontwikkeld op basis van de empirische literatuur over verslaving en (herhaling van) delictgedrag (Lammers et al., 2014). Het gaat dus om een nieuw risicotaxatie-instrument, dat een aanvulling vormt op bestaande instrumenten, specifiek voor forensische cliënten die kampen met ernstig middelengebruik of verslavingsproblematiek. Het instrument moet er aan bijdragen dat risicofactoren voor toekomstig delictgedrag als gevolg van middelengebruik en/of verslaving beter worden opgespoord en behandeld. Hierdoor kunnen delictrecidives, zoals verwervingscriminaliteit en huiselijk of ander geweld ten gevolge van middelengebruik worden gereduceerd. De RIVJU is werk in uitvoering, het gaat om een conceptchecklist waarvan de validiteit en betrouwbaarheid nog nader moeten worden onderzocht.
RM2000/S Risicotaxatie-instrument De Risk Matrix 2000 / Sex offender version (RM2000/S; Thornton et al., 2003) is de vernieuwde versie van de SACJ-Min (Structured Anchored Clinical Judgement-Minimum). De RM2000/S heeft dezelfde stapsgewijze opbouw als de SACJ-Min, maar het eerste deel bevat nog maar drie items: leeftijd, eerdere seksuele en algemene delicten. Op grond van de scores op deze drie items valt de pleger in een van de vier risicocategorieën. Aan de hand van de scores op vier extra items (over slachtofferkenmerken, eventuele hands-off delicten en relationele geschiedenis) kan een pleger nog een of twee risicocategorieën stijgen. De coderingsregels van de RM2000/S zijn vrij toegankelijk, maar niet in een Nederlandse vertaling beschikbaar (Thornton et al., 2003).
ROPI Evaluatie-index De Recovery Oriented Practices Index (ROPI; Mancini & Finnerty, 2005) is een instrument waarmee kan worden nagegaan in hoeverre een organisatie op koers ligt als het gaat om herstelondersteunende zorg. Er zijn versies voor verblijfsafdelingen, instellingen voor beschermd wonen / begeleid zelfstandig wonen en ambulante behandelteams. De uitkomsten kunnen handvatten bieden bij het opstellen van verbeterplannen voor de implementatie van herstelondersteunende zorg. De ROPI bestaat uit interviews met medewerkers, een cliëntenpanel en inzage van documenten. De ROPI is opgebouwd uit acht dimensies van herstelondersteunende zorg: 1. tegemoet komen aan basale zorgbehoeftes 2. breed aanbod van diensten 3. sociale contacten en participatie 4. medezeggenschap en participatiemogelijkheden 5. zorg gebaseerd op de mogelijkheden van de cliënt 6. cliëntgerichtheid en keuzemogelijkheden 7. zelfbepaling van de cliënt 8. focus op herstel en ervaringsdeskundigheid De ROPI meet geen uitkomsten op cliëntniveau. Daarvoor kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van de Nederlandse Empowermentslijst (NEL), ontwikkeld door het Trimbos-instituut (Boevink, Kroon & Giesen, 2009). Evenmin is de ROPI geschikt om de individuele herstelprocessen van cliënten te ondersteunen. Daarvoor kan worden verwezen naar 'herstelactiviteiten' en cursussen voor cliënten ('herstellen doe je zelf', herstelwerkgroepen, etc.), of naar methodische benaderingen, zoals het Strengths Model. Voor meer informatie zie: http://assets-ti.e-dev.nl/docs/0b5b983d-146f-4349-b246-d8e0ecde51bc.pdf
RRASOR Risicotaxatie-instrument In 1997 ontwikkelde Hanson in Canada de Rapid Risk Assessment for Sexual Offence Recidivism (RRASOR; Hanson, 1997). Uit de verzameling factoren die recidive voorspellen uit zijn meta-analyse (Hanson & Bussière, 1996) selecteerde hij met stapsgewijze regressie de volgende vier items die seksuele recidive het beste voorspellen: • eerdere seksuele delicten, • leeftijd van de pleger, • geslacht van het slachtoffer, • de relatie tot het slachtoffer. Het instrument kent geen indeling in categorieën, maar gebruikt alleen de eindscore, die van 0 tot 6 loopt.
RS-NL Assessment De Resilience Scale-Nederlandse versie (RS-NL; Portzky, 2008 ) bestaat uit 25 items die moeten worden beantwoord op een 4-punts schaal. Dit leidt tot een normscore in decielen. Resilience, ofwel mentale veerkracht kan worden omschreven als je persoonlijkheidstrek die mensen in staat stelt de negatieve effecten van spanning te matigen en te verzachten. Mentale veerkracht is het vermogen dat ten grondslag ligt aan copingvaardigheden en wordt in verband gebracht met zelfvertrouwen, zelfwaardering, vermogen controle uit te oefenen op de omgeving of zich aan te passen aan de omgeving (adaptieve vaardigheden). Doelgroep: vanaf 16 jaar
RSVP Risicotaxatie-instrument De Risk Sexual Violence Protocol (RSVP; Hart et al., 2003), ontwikkeld in Canada, kan men zien als een aangepaste versie van de SVR-20. Het omvat 22 items, deels statische, deels dynamische, onderverdeeld in een aantal domeinen: • geschiedenis van seksueel gewelddadig gedrag, • psychologische aanpassing, • psychopathologie, • sociale aanpassing, • behandelbaarheid. Alle items krijgen de scores ‘aanwezig’, ‘waarschijnlijk of enigszins aanwezig’ of ‘afwezig’. Elk item krijgt bovendien een score voor de aanwezigheid van het bedoelde verschijnsel in het verleden, die in het huidige tijdsgewricht en de waarschijnlijke aanwezigheid in de toekomst. Een aantal items vergt een klinisch oordeel of klinische inschatting. Men kan de factoren per geval aanvullen met eventuele extra risico- en beschermende factoren. Het eindoordeel is een klinisch oordeel op grond van de risicofactoren, geen optelsom. De coderingsregels van de RSVP zijn verkrijgbaar (Hart et al., 2003), maar zijn niet in een Nederlandse vertaling beschikbaar.
SACJ-Min Risicotaxatie-instrument Tegelijk met de RRASOR in Canada werd in het UK de Structured Anchored Clinical Judgement ontwikkeld (SACJ-Min; Grubin, 1998). De scoring omvat twee stappen. Op grond van de scores op vijf items (over eerdere seksuele en geweldsdelicten) komt iemand in een lage, matige of hoge risicocategorie. Op grond van de score op drie extra items (over slachtofferkenmerken, eventuele hands-off delicten en relationele geschiedenis) kan een pleger nog een of twee risicocategorieën stijgen. De SACJ-Min wordt niet veel meer gebruikt omdat er een nieuwe versie van het instrument is verschenen, de Risk Matrix 2000.
SAPROF Risicotaxatie-instrument Recentelijk is in Nederland de Structured Assessment of Protective Factors for violence risk ontwikkeld (SAPROF; De Vogel et al., 2007). In 2012 is de SAPROF 2e editie uitgebracht in het Nederlands en Engels. De SAPROF is een instrument voor de gestructureerde inschatting van beschermende factoren voor gewelddadig gedrag, bedoeld als aanvulling op de risicotaxatie met de HCR-20 of vergelijkbare instrumenten. Het instrument bestaat uit 17 items, verdeeld over drie schalen; Interne items, Motivationele items en Externe items. De factoren worden gescoord op een drie-puntsschaal. De toevoeging van een gestructureerde inschatting van beschermende factoren zorgt voor meer balans in de risicotaxatie van toekomstig gewelddadig gedrag, waardoor een dynamische positievere benadering van risicopreventie mogelijk wordt. De SAPROF heeft het doel om bij te dragen aan een nauwkeurige risicotaxatie en ontwikkeling van nieuwe mogelijkheden voor effectieve en haalbare behandelinterventies. De veranderbaarheid van de beschermende factoren in de SAPROF gedurende de behandeling indiceert de bruikbaarheid van de SAPROF als richtlijn voor de ontwikkeling van positieve behandeldoelstellingen en risicomanagement. Inmiddels zijn ook een Duitse, Italiaanse, Spaanse, Franse, Noorse, Zweedse, Portugese, Russische en Deense versie verschenen en een Chinese en Japanse versie is in ontwikkeling. De SAPROF is ontwikkeld voor gebruik in forensische en algemene psychiatrie alsmede in detentie of in geval van reclasseringstoezicht. De SAPROF is bruikbaar voor volwassen gewelds- en zedendelinquenten, zowel mannen als vrouwen. Met de SAPROF kan ook vooruitgang worden gemeten (ROM). Voor meer informatie zie ook: http://www.hoevenkliniek.nl/docs/saprof/factsheet-saprof-september-2013-nederlands.pdf?sfvrsn=2
SAPROF-YV Risicotaxatie-instrument De Structured Assessment of Protective Factors for violence risk – Youth Version (SAPROF-YV; De Vries Robbé, Geers, Stapel, Hilterman & De Vogel, 2014) is een risicotaxatie instrument speciaal ontwikkeld voor het gestructureerd inschatten van beschermende factoren voor gewelddadig gedrag bij jongeren. De SAPROF-YV is ontwikkeld op basis van literatuuronderzoek, pilotonderzoek en feedback van experts in de forensische jeugdbehandeling. Het instrument bevat 16 dynamische beschermende factoren waarvan uit empirisch onderzoek en klinische praktijk is gebleken dat deze gerelateerd zijn aan een verminderde kans op recidive. Door de risicotaxatie mede op basis van de SAPROF-YV uit te voeren kunnen interventies zich meer gaan oriënteren op positieve behandeldoelen. Daarnaast biedt de SAPROF-YV nieuwe mogelijkheden voor behandelevaluatie, op basis van positieve veranderbare factoren.
SARA Risicotaxatie-instrument De Spousal Assault Risk Assessment Guide (SARA; Kropp, Hart, Webster & Eaves, 1995) is een instrument dat het risico taxeert op huiselijk geweld. De opzet van de SARA is vergelijkbaar met die van de HCR-20. De SARA telt 20 items die elk gescoord kunnen worden met 0, 1 of 2. De minimale score is derhalve 0, de maximale 40. Er zijn twee schalen, elk met 10 items. De eerste is: Risicofactoren voor algemeen geweld, de tweede: Risicofactoren voor relationeel geweld. Martin Hildebrand en Corine de Ruiter ontwikkel(d)en een Nederlandstalige versie van de SARA. Meer informatie via: http://www.corinederuiter.eu/risk.php#sara
SAVE en SAVE-Screen Risico-inventarisatie De Samen Veilig (SAVE) en Samen Veilig-Screen (SAVE-Screen) geven een inventarisatie van vroeger geweld, klinische en persoonskenmerken en risicomanagement factoren van LVB-ers in de zorg, om te komen tot een beschrijving van het risico. Het gaat hier om de SAVE-(SG)LVG (VGn-Friesland/Trajectum Hoeve Boschoord, 2007). Er is nog weinig ervaring met dit instrument opgedaan. Om een klinische risico-inschatting te maken is binnen de LVB zorg in Nederland recentelijk een experimentele lijst in interviewvorm ontworpen waarmee het de intaker gemakkelijker wordt gemaakt incidenten uit het verleden en risicomanagement technieken die in het verleden bleken te werken, te inventariseren. Het is geen risicotaxatielijst maar een inventarisatielijst op basis waarvan bij plaatsing in de zorg rekening kan worden gehouden met eventuele risico’s op basis van vroegere en recente incidenten. Ook kan op basis van deze verzamelde gegevens eventueel een risicotaxatielijist worden ingevuld. De SAVE-Screen is de screenende versie van de SAVE. De SAVE-screen kost minder tijd en lijkt een goede indicator om vast te stellen of het afnemen van de hele SAVE aan te raden is.
SAVRY Risicotaxatie-instrument De Structuren Assessment of Violence Risk in Youth (SAVRY; Van Borum, Bartel & Forth, 2002; geautoriseerde vertaling door Lodewijks, Doreleijers, De Ruiter & De Wit-Grouls, 2001) is ontworpen om het geweldsrisico bij jongeren te voorspellen. De structuur van de SAVRY komt overeen met die van de HCR-20, maar de iteminhoud is specifiek gericht op risicofactoren bij adolescenten. Er zijn in totaal 30 items. De 24 risico-items hebben betrekking op drie domeinen: historisch,sociaal/contextueel en individueel. Ze zijn herleid uit research over gewelddadigheid bij adolescenten. Aanvullend is een lijst met 6 beschermende factoren opgenomen. Ieder risico-item heeft drie coderingsmogelijkheden (laag = 0, matig 1, hoog = 2) met telkens een omschrijving hoe te coderen. De beschermende items kennen twee coderingsmogelijkheden (aanwezig, afwezig). Bij onvoldoende informatie wordt X gescoord. Men kan factoren als “kritisch item” scoren als men oordeelt dat deze een belangrijke invloed hebben op het risiconiveau. Uiteindelijk beoordeelt men het risico van geweldsrecidive(laag, matig, hoog) met en zonder interventie, de ernst van de geweldsrecidive (gering, matig,ernstig) met en zonder interventie, en de beoordeling van het risico op het type geweld (reactief, proactief, gecombineerd) (Duits, 2006, p. 198). In de handleiding worden onderscheidende onderzoeksresultaten van jongens en meisjes genoemd. Het instrument kan voor beide seksen worden gebruikt. De SAVRY mag niet gebruikt worden als een test. Vandaar dat geen numerieke scores worden gebruikt. Er is daarom ook geen cut-off-score waaronder of waarboven gesproken kan worden van een gering of groot risico op geweldsrecidive (Lodewijks, De Ruiter & Doreleijers, 2002, p. 36-37). De SAVRY is geadopteerd door een onderzoeksgroep met vertegenwoordigers uit Australië, Zweden, Engeland, de VS, Canada en Nederland.
SCAN Diagnostisch interview De Schedules for Clinical Assessment in Neuropsychiatry (SCAN; WHO, 1999) vormen een semigestructureerd diagnostisch interview. Het bestaat uit een set instrumenten die psychopathologie en de gedragspatronen die zijn gerelateerd aan de EPA’s meten, evalueren en classificeren. Alle symptomen van de meest voorkomende psychiatrische stoornissen van As I zijn in de SCAN 2.1 opgenomen, waaronder: • stemmingsstoornissen; • angststoornissen; • eetstoornissen; • psychotische stoornissen; • afhankelijkheid van middelen; • psychosomatische stoornissen; • cognitieve achteruitgang. De SCAN omvat de tiende editie van de Present State Examination (PSE), die berust op langdurig onderzoek.
SCID-5-P Assessment – semi-gestructureerd diagnostisch interview Het Gestructureerd klinisch interview voor DSM-5 Persoonlijkheidsstoornissen (SCID-5-P; voorheen SCID-II) is een semigestructureerd diagnostisch interview voor de beoordeling van de tien DSM-5-persoonlijkheidsstoornissen in de clusters A, B en C en de classificatie ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornissen’. Het SCID-5-P Interview bestaat uit twee delen: In het eerste deel wordt achtergrondinformatie verzameld van de patiënt die nuttig is voor de beoordeling van de criteria voor de afzonderlijke persoonlijkheidsstoornissen. Naast basisgegevens van de patiënt wordt ook het gedrag, de relaties en het vermogen tot zelfreflectie van de patiënt in kaart gebracht. Deel twee bestaat uit vragen op basis van de DSM-5-criteria van de tien persoonlijkheidsstoornissen.
SCID-5-S Assessment – semi-gestructureerd diagnostisch interview Het gestructureerd klinisch interview voor de DSM-5 (SCID-5-S;voorheen SCID-I) is een semi-gestructureerde interviewrichtlijn ten behoeve van de diagnostiek van het merendeel van de DSM-5-stoornissen (voorheen As-I-stoornissen). Dit interview wordt afgenomen door een clinicus of een daartoe opgeleide ggz-professional met kennis over en inzicht in de DSM-5-classificatie en de classificatiecriteria. Het SCID-5-S Interview leidt de clinicus stap voor stap door het diagnostisch proces waarmee alle tien DSM-5-syndroomstoornissen kunnen worden vastgesteld: -Stemmingsepisodes en de persisterende depressieve stoornis -Psychotische en verwante symptomen -Differentiële diagnostiek van psychotische stoornissen -Differentiële diagnostiek van stemmingsstoornissen -Stoornissen in het gebruik van een middel -Angststoornissen -Obsessieve-compulsieve stoornis en de posttraumatische-stressstoornis -Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis bij volwassenen -Screening op andere huidige stoornissen -Aanpassingsstoornis