Instrumentendatabank

De instrumentendatabank biedt een overzicht van ruim 200 instrumenten die gebruikt worden binnen de forensische psychiatrie. In de instrumentendatabank wordt ieder instrument kort beschreven en informatie gegeven over het type instrument, de validiteit en betrouwbaarheid, de afnameduur, de belangrijkste literatuurbronnen en waar het instrument te verkrijgen/downloaden is.

Naam Type instrument Omschrijving
FIOS Observatie-instrument De Forensic Inpatient Observation Scale (FIOS; Timmerman, Vastenburg, & Emmelkamp, 2001) is ontwikkeld omdat er een groot gebrek is aan geschikte, betrouwbare en valide observatieschalen voor forensisch psychiatrische patiënten. De FIOS heeft zes schalen die worden verondersteld belangrijke aspecten te meten in de behandeling van forensisch psychiatrische patiënten: (1) zelfverzorging, (2) sociaal gedrag, (3) oppositioneel gedrag, (4) inzicht in eigen delictgedrag, (5) verbale vaardigheden en (6) psychische klachten (distress).
FOTRES Risicomanagement-instrument, therapie‐evaluatie instrument De Forensisches Operationalisiertes Therapie-Risiko-Evaluations-System (FOTRES; Urbaniok, 2004) is een systeem dat risicoaspecten, maar ook (te verwachten) therapie-effecten in kaart kan brengen en kan evalueren. Het indiceert naast het structurele terugvalrisico ook de veranderbaarheid van een justitiabele. Kenmerkend voor het systeem is de mogelijkheid op verschillende tijdstippen ‘gesimuleerde invrijheidstellingen’ te scoren. Men taxeert dan het actuele risico als men iemand op dat moment in vrijheid zou stellen. Actuele behandelresultaten en niet direct bij de behandeling betrokken variabelen die wel van invloed zijn op het recidiverisico worden meegewogen. Dit laatste is uniek. Uniek is ook dat men het systeem kan gebruiken als een patiëntvolgsysteem, dat vanaf de initiële pro-justitia rapportage periodiek metingen kan verrichten, zowel voor, tijdens als na een behandeling. De FOTRES bestaat uit circa 650 items verdeeld over de vier modules structureel recidiverisico, beïnvloedbaarheid, therapie‐evaluatie en voorspelling van therapie‐effect. Een volledige casus bestaat doorgaans uit 350‐400 items, afhankelijk van het aantal probleemgebieden die de expert van belang acht. Het instrument stelt de clinicus als gebruiker diverse vragen over de individuele casus die gewaardeerd moeten worden op aanwezigheid of ernst met een getal van 0 (niet aanwezig/zeer gering) tot 4 (zeer sterk aanwezig). De scores van de aparte probleemdomeinen en kenmerken tezamen genereren een eindscore per module. Alle scores worden wederom op een schaal van 0 tot 4 weergegeven.
FP40 Profielvragenlijst De Forensisch Profielvragenlijsten (FP40; Brand & Van Emmerik, 2001) vormen een Nederlands diagnostisch instrument voor de gehele forensisch psychiatrische populatie. De ontwikkeling van de FP-40 is begonnen in 1990, met als doel belangrijke en relevante kenmerken van TBS-gestelden vast te leggen, zowel voor behandeling als onderzoek. De FP40 bestaat uit tien vragenlijsten, waaronder Seksualiteit, Verslaving, Coping en Netwerk. De FP40 is ontstaan door interviews in het forensische veld, interviews met de medewerkers van het voormalige Dr. F.S. Meijers Instituut en op basis van literatuurstudie. Dit alles onder begeleiding van een externe wetenschappelijke begeleidingscommissie. Zowel psychologen, psychiaters, maatschappelijk werkers als sociotherapeuten (of groepsleiders) hebben jarenlang bijgedragen aan de ontwikkeling van de lijsten en aan de aanlevering van gegevensbestanden. De FP40-lijsten vormen een samenvatting van de diagnostiek om behandeladviezen te geven, behandelvoortgang te meten en risico’s te taxeren. De lijst benadert elke stoornis van een patiënt als een multicausaal verschijnsel. Het instrument geeft van elke patiënt een sterkte- en zwakteprofiel. Hieruit volgt geen totaalscore maar een multidimensionaal profiel. De items zijn onder te verdelen in vier domeinen: • psychiatrisch beeld en verslaving, • persoonlijkheid en vaardigheden, • ontwikkeling en maatschappelijke inbedding, • situationele en overige invloeden (eventueel tijdens de delictsituatie). De veelzijdigheid van de domeinen en de bijbehorende items geven een uitgebreid beeld van de zwakke en sterke punten van de desbetreffende patiënt. De laatste versie van de FP40 dateert van 2006, maar veel onderzoeksgegevens zijn gebaseerd op eerdere versies. De meeste resultaten daarvan staan vermeld in de handleiding FP40, versie 2006.
FSNA Risicotaxatie- en risicomanagement instrument De Forensisch Sociale Netwerk Analyse (FSNA; Pomp, Spreen, Bogaerts & Völker, 2010) is een methodiek om op een gestructureerde wijze het persoonlijke netwerk van een tbs-patiënt in kaart te brengen en te analyseren in het kader van resocialisatiemogelijkheden. Het maatschappelijk werk heeft een essentiële taak in het onderzoek van het externe netwerk. Met behulp van de FSNA methodiek wordt per casus geanalyseerd welke rol persoonlijke relaties en sociale situaties ten tijde van het delict, de behandeling en de toekomstige netwerkomgeving hebben (Pomp & Bogaerts, 2008). Uitgangspunt van de analyse is dat een (toekomstig) delict niet kan worden losgezien van de situationele context van de patiënt. De FSNA omvat een dossierstudie en semigestructureerd interviews met de patiënt en een selectie van zijn netwerkleden. Het betrekken van netwerkleden wordt in de FSNA als een essentieel onderdeel gezien. De uitkomsten van FSNA onderzoek worden gebruikt om te proberen te voorspellen in hoeverre de patiënt mogelijk in risicovolle situaties terechtkomt tijdens verlofsituaties en na de beëindiging van de tbs
GIT-2 Intelligentietest De Groninger Intelligentie Test-2 (GIT-2) is de herziene versie van de Groninger Intelligentie Test en is eind 2004 uitgebracht (Luteijn & Barelds, 2004). Deze versie bevat nieuwe representatieve normen. Het materiaal, de testinhoud en de afnameprocedures zijn gemoderniseerd met behoud van de essentiële kenmerken van de voorloper (GIT). De GIT-2 kan worden ingezet als psycho-educationele test, als hulpmiddel bij klinisch onderzoek, voor selectieprocedures en om neurologische- en psychiatrische stoornissen vast te stellen. Het is een betrouwbare, individuele intelligentietest. De GIT-2 bestaat uit 10 subtests: 1. Woordenlijst (Verbaal Begrip) 2. Legkaarten (Ruimtelijk Inzicht) 3. Vaaropdrachten (Logisch Redeneren met Getallen) 4. Sorteren (Logisch Redeneren met Figuren) 5. Figuur ontdekken (Waarnemingsintelligentie) 6. Cijferen (Rekenvaardigheid) 7. Draaikaarten (Ruimtelijk Voorstellingsvermogen) 8. Matrijzen (Logisch Redeneren met Verbaal Materiaal) 9. Woord opnoemen I (Associatiesnelheid/Verbale Vloeiendheid) 10. Woord opnoemen II (Associatiesnelheid/Verbale Vloeiendheid) Per subtest wordt de ruwe score bepaald. De ruwe scores kunnen worden omgezet in geschaalde scores. De gesommeerde geschaalde scores leiden tot een IQ-score. De resultaten kunnen in een intelligentieprofiel worden gevisualiseerd. Doelgroep: 16 t/m 90 jaar. Van extreem lage verstandelijke capaciteiten (IQ=64) tot extreem goede verstandelijke capaciteiten ( IQ=135).
HCR-20 Risicotaxatie-instrument De Historical Clinical Risk Management-20 (HCR-20; Webster et al., 1997; geautoriseerde Nederlandse versie: Philipse et al., 2000) is een instrument om het risico in te schatten voor toekomstig gewelddadig gedrag bij personen met een gewelddadige voorgeschiedenis en een psychische stoornis. De HCR-20 bestaat uit 20 items (tien zogenaamde historische items, vijf klinische en vijf items over omgaan met risico’s), gescoord door een beoordelaar op een driepuntsschaal op grond van alle beschikbare gegevens. Daarna volgt een ‘klinische beschouwing’ van de scores op de individuele items en beoordeelt men het risico als ‘laag’, ‘matig’ of ‘hoog’. De HCR-20 heeft relatief weinig items die relevant zijn als aangrijpingspunt voor behandeling, maar het is wel een internationaal instrument. Qua opzet is de HCR-20 vergelijkbaar met de SVR-20 en net als deze vereist de lijst een PCL-R score. De HCR-20:V3 is de vernieuwde versie van de HCR-20; zie ook HCR-20:V3.
HCR-20:V3 Risicotaxatie-instrument De Historical, Clinical, Risk Management (Version 3) (HCR-20:V3; Douglas et al., 2013; Nederlandse vertaling: De Vogel et al., 2013) is de vernieuwde versie van de HCR-20 en bedoeld voor het inschatten van het risico op toekomstig gewelddadig gedrag. De nieuwe HCR-20:V3 is ontwikkeld op basis van nieuwe onderzoeksresultaten en inzichten op het gebied van (het inschatten van het risico op) geweld, op basis van feedback op de HCR-20 van gebruikers wereldwijd en naar aanleiding van internationale pilot studies met de HCR-20:V3 pilot version (o.a. in Canada, Zweden, Duitsland en Nederland). Ten opzichte van de HCR-20 is de wetenschappelijke onderbouwing van de items verbeterd en ook uitgebreider. Tevens bevat het instrument meer richtlijnen voor gebruik in de praktijk. Het instrument is daarnaast meer dynamisch en breder inzetbaar dan louter voor inschatting van risico's (behandelevaluatie/ROM, slachtoffer veiligheid). Er is tevens meer aandacht voor theoretische onderbouwing (RNR model als theoretische basis). Voor meer informatie zie: https://www.deforensischezorgspecialisten.nl/files/Factsheet_HCR-20v3_NL._final_A4.pdf
HKT-30 Risicotaxatie-instrument De Historisch Klinisch Toekomst-30 (HKT-30) is een risicotaxatie-instrument in ontwikkeling. In januari 2003 werd de huidige versie uitgebracht door de Werkgroep Risicotaxatie Forensische Psychiatrie (2003), de eerste (vrijwel gelijke) versie is van de Werkgroep Pilotstudy Risicotaxatie Forensische Psychiatrie (2002). De 30 items van de HKT- 30 beslaan drie domeinen: • historische en statische indicatoren (11 items), • klinische en dynamische indicatoren (13 items), • toekomstige situatieve indicatoren (6 items), De items zijn gekozen door een Nederlandse werkgroep op basis van hun belang zoals dat blijkt uit onderzoek, literatuur en ervaring. De items worden gescoord als 0, 1, 2, 3 of 4. De totaalscore kan dan ook 120 zijn. Een niet-crimineel persoon zal maximaal rond de 10 scoren. Wat een bepaalde score betekent kan alleen door empirische validering worden vastgesteld. Totaal- of subscoreverschillen van bijvoorbeeld 10 punten kunnen afhankelijk van de hoogte een verschillende betekenis hebben. Een verschil tussen 90 en 100 kan een andere betekenis hebben dan dat tussen 20 en 30. De ‘middelste score’ tussen 0 en 120 is 60, maar of het gemiddelde van bijvoorbeeld TBS-patiënten 60 is, is maar de vraag. Dat kan heel goed in de orde van 30, 40, 50, 60 of 70 zijn. Medio 2013 is er een nieuwe versie van de HKT-30 gepresenteerd; de HKT-R (zie HKT-R).
HKT-R Risicotaxatie-instrument Medio 2013 is de Historische, Klinische en Toekomstige-Revisie (HKT-R; Spreen et al., 2013) gepresenteerd. In deze herziene versie van de HKT-30 is een aantal items toegevoegd, afgeschreven of in benaming gewijzigd om tot een meer genuanceerd beeld te komen van de patiënt. Hiertoe is ook de score-toekenning van een 3-puntsschaal gewijzigd naar een 5-puntsschaal (respectievelijk laag, laag-matig, matig, matig-hoog, hoog). Het belangrijkste doel van de HKT-R is het verbeteren van de bruikbaarheid voor de klinische praktijk, zoals het bieden van richtlijnen voor risicomanagement en behandelevaluatie. Daarnaast tracht de HKT-R zowel op individueel- als groepsniveau een verbetering te creëren in de predictieve validiteit voor recidive.
HoNOS ROM-instrument De Health of the Nation Outcome Scales (HoNOS; Wing et al., 1998) is een beoordelingslijst, met het doel om op eenvoudige, betrouwbare en valide wijze de geestelijke gezondheidstoestand en het sociaal functioneren van psychiatrische patiënten routinematig in kaart te brengen. De HoNOS meet met 12 items gedragsproblemen, beperkingen, symptomatologie en sociale problemen. Het instrument is vrij beschikbaar en vertaald in het Nederlands (Mulder et al., 2001). Naast de ‘gewone’ HoNOS is er een speciale versie ontworpen voor de forensische psychiatrie. Per 1 januari 2015 geldt dat voor het meten van de voortgang van de behandeling (ROM) een keuze gemaakt moet worden uit de volgende instrumenten: -HoNOS -Mate (verslaafden) -DROS (verstandelijk beperkten) De meting geldt voor alle klinische en ambulante patiënten met uitzondering van de patiënten bij wie de DDBC-hoofdgroep persoonlijkheidsstoornissen, seksuele stoornissen of verdiepingsdiagnostiek is geopend. De verplichting geldt voor alle forensische settingen met uitzondering van RIBW, FO en ambulante begeleiding. zie ook: http://www.efp.nl/web/images/uploads/publicaties/20140827_factsheet.pdf
HSCL Assessment – Zelfrapportagevragenlijst De Hopkins Symptom Checklist (HSCL; Parloff, Kelman & Frank, 1954) is een alom bekend en veelvuldig gebruikt instrument dat symptomen van angststoornissen (10 items) en depressie (15 items) meet. De schaal bevat vier antwoordmogelijkheden voor elke vraag gaande van ‘not at all’ tot ‘extremely’. Er worden drie scores berekend: de totale score en daarnaast ook afzonderlijke scores voor depressie en voor angststoornissen. Dit instrument wordt als gebruiksvriendelijk beschouwd en werd reeds talloze malen toegepast bij het meten van de traumatisatie bij vluchtelingen. Dit maakt het instrument ook mogelijk interessant voor de gevoelige en moeilijk toegankelijke forensische populatie met comorbide stoornissen, alhoewel in de literatuur geen melding wordt gedaan van het gebruik van de HSCL in gevangenissen. De HSCL werd vertaald in het Bosnisch, Cambodjaans, Kroatisch, Japans, Laotiaans en Vietnamees door het Harvard Programma in Refugee Trauma en daarnaast ook in het Zweeds.
HTQ Assessment – Zelfrapportagevragenlijst. De Harvard Trauma Questionnaire (HTQ; Mollica, et al., 1996) is een zelfrapportagelijst en meet traumaklachten aan de hand van de DSM-IV-TR en andere traumaklachten. Het eerste deel van de vragenlijst bestaat uit een lijst met 24 traumatische gebeurtenissen, waarbij de deelnemer kan aangeven welke gebeurtenissen hij of zij heeft ervaren, gezien of gehoord. Het tweede deel van de HTQ meet de ernst van de PTSS-klachten zoals beschreven is in de DSM-IV-TR. Dit deel bestaat uit 16 vragen, waarbij de deelnemer antwoord kan geven op een 4-puntsschaal, waarbij 1= helemaal geen last, 2= een beetje last, 3= nogal veel last en 4= zeer veel last. Het derde deel meet andere traumasymptomen. Een cut-off score van 2,45 wordt gebruikt om een indicatie te geven voor PTSS. De Nederlandse Harvard Trauma Questionnaire is ontwikkeld door J. Mook en deze vragenlijst is bewerkt voor gebruik binnen Stichting Centrum ’45 door W.Chr. Kleijn.
IAT Impliciete maat De Implicit Association Task (IAT; Greenwald et al., 1998) is een test die de sterkte van de associatie tussen twee begrippen in kaart wil brengen. De IAT kan bijvoorbeeld worden toegepast bij seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bij het onderzoek op het gebied van seksueel grensoverschrijdend gedrag met de IAT gaat het tot nu toe vooral om de associatie tussen de begrippen kind en seks, ervan uitgaande dat deze associatie bij pedoseksuelen sterker is dan die tussen de begrippen volwassene en seks. De onderzochte krijgt een reeks woorden aangeboden die hij categoriseert door een van twee knoppen in te drukken. In de congruente conditie vallen seksueel getinte woorden en woorden die betrekking hebben op volwassenen samen in de ene categorie, en seksueel neutrale woorden en woorden die betrekking hebben op kinderen in de andere. In de incongruente conditie vallen seksueel getinte woorden en woorden die betrekking hebben op kinderen samen in de ene categorie, en de seksueel neutrale woorden en woorden die betrekking hebben op volwassenen in de andere. De verwachting is dat de meeste mensen in de congruente conditie sneller en beter reageren dan in de incongruente conditie, terwijl mensen met een pedoseksuele voorkeur juist in de incongruente conditie sneller en beter zouden reageren.
ICL-R Zelfrapportagevragenlijst. De Interpersonal Checklist-Revised (ICL-R; Nederlandse versie: van den Brink & De Jong, 1991; vernieuwde Nederlandse versie: De Jong, van den Brink & Jansma, 2000), is een vragenlijst die de interpersoonlijke kwaliteit naloopt die een patiënt met zijn omgeving denkt te ervaren. Dit gebeurt aan de hand van keuzes omtrent zelfbeschrijvingen.
IFBE Gedragsobservatie instrument Het Instrument voor Forensische Behandel Evaluatie (IFBE; Schuringa, 2014) bestaat uit de 14 klinische items van de HKT-R (Werkgroep revisie HKT-30, Spreen et al., 2010) plus nog 8 forensische behandel items. De IFBE is een gedragsobservatie instrument dat onafhankelijk van elkaar ingevuld wordt door het gehele behandelteam van een patiënt. Op deze manier wordt informatie van de diverse behandeldisciplines over verschillende forensisch behandelinhoudelijke items van een patiënt in kaart gebracht. Deze informatie wordt besproken in de multidisciplinaire bijeenkomsten. De items worden gescoord op een 17 puntsschaal. De IFBE laat het huidig functioneren van de patiënt zien, de overeenstemming tussen de verschillende disciplines en klinische en statistische veranderingen. Door de bredere antwoordschaal kunnen veranderingen in gedrag nauwkeuriger vastgesteld worden en daarom is de IFBE geschikt voor gebruik bij behandelplanbesprekingen of behandelevaluatie momenten. Er wordt op dit moment een zelfrapportage versie van de IFBE ontwikkeld; de IFBE-Z. Zie voor meer informatie: https://www.vanmesdag.nl/niAe9OzHKU-x2JO03A57HQ/TW4xvBca2ENSZYBwBXk9Pg/VwjpS1eIj2dUGZqI7RbY9KJw/IFBE%20voor%20professionals%20januari%202015.pdf
IMI-C Diagnostisch instrument De Impact Message Inventory Circumplex (IMI-C; Kiesler & Schmidt, 2006; NL-versie: Hafkenscheid, 2003) is een meetinstrument, dat ontwikkeld is om therapeuten bewust te maken van bevels- en betrekkingsboodschappen die zij in de communicatie met patiënten ‘opvangen’. De IMI-C is een zogeheten 360º-instrument: de toegevoegde C staat voor ‘circumplex’, de aanduiding voor de mathematische structuur van de interpersoonlijke cirkel. Het instrument beoogt de aard en de intensiteit van vage, ambigue beïnvloedingsboodschappen, die zich bij de therapeut in het therapeutisch contact vaak aandienen als ‘storende gevoelens’, te identificeren en te registreren. De intensiteit van verschillende soorten beïnvloedingsboodschappen wordt in subschaalscores samengevat en die subschaalscores worden geprojecteerd op de interpersoonlijke cirkel (de ‘Roos van Leary’). Kiesler, D.J., & Schmidt, J.A. (2006). The Impact Message Inventory – Circumplex (IMI-C) Manual: sampler set, manual, test booklet, scoring key, work sheets. Redwood City, CA: Mind Garden. Hafkenscheid, A. (2003). Objective countertransference: do patients’ interpersonal impacts generalise across therapists? Clinical Psychology & Psychotherapy, 10, 31-40
INVRA Beoordelingslijst De Inventarisatie van RedzaamheidsAspecten (INVRA; Douma & Schuurman, 2001) is een descriptieve beoordelingslijst die systematisch specifieke zelfredzaamheidsvaardigheden in kaart brengt. Het instrument omvat een deel 'arbeid’ en een deel ‘wonen’.
IOA Zelfbeoordelingsvragenlijst. De Inventarisatielijst Omgaan met Anderen (IOA; Van Dam-Baggen & Kraaimaat, 2000) is een instrument waarbij patiënten voor 35 interpersoonlijke situaties moeten aangeven hoeveel spanning ze in die situaties ervaren (sociale angst) en hoe vaak ze het gedrag daadwerkelijk tot uitvoer zouden brengen, mocht de situatie zich voordoen (sociale vaardigheden). De subschalen zijn: kritiek geven, aandacht vragen voor de eigen mening, waardering voor een ander uitspreken, initiatief nemen tot contact en jezelf waarderen.
IPDE Semi-gestructureerd interviewschema De International Personality Disorder Examination (IPDE; WHO, 1995; Nederlandse vertaling, Duijsens et al.,1995) is een is een semi-gestructureerd interviewschema voor DSM-IV persoonlijkheidsstoornissen. Het interview is geordend naar zes thema’s: werk, zelf, interpersoonlijke relaties, affecten, realiteitstoetsing en impulscontrole. Alle criteria voor de persoonlijkheidsstoornissen komen in deze rubrieken aan de orde. De IPDE staat ook toe om het interview per persoonlijkheidsstoornis af te nemen. Naast een score voor de aan- of afwezigheid van persoonlijkheidsstoornissen levert het instrument ook dimensionale scores op. Voorafgaand aan het interview kan de IPDE Screenings Vragenlijst worden afgenomen.
J-SOAP D Gestructureerd klinisch risicotaxatie-instrument Voor jeugdige zedendelinquenten is een specifiek risicotaxatie-instrument ontwikkeld, de Juvenile Sex Offender Assessment Protocol (J-SOAP; Prentky & Righthand, 2003). De J-SOAP-Dutch version (J-SOAP D; Bullens, Van Horn, Van Eck & Das, 2005) kan door getrainde professionals worden gebruikt om het risico op sekuseel delictgedrag in te schatten bij jongeren van 12 tot 18 jaar. Het instrument bestaat uit 28 items, verdeeld over vier schalen. De eerste twee schalen meten statische factoren en bevatten items die te maken hebben met seksuele drift/preoccupatie en impulsiviteit/antisociaal gedrag. De andere twee schalen meten dynamische factoren en zijn gerelateerd aan interventies en aanpassing aan de samenleving. De scores worden ingevuld aan de hand van een driepuntsschaal (0 is duidelijke afwezigheid en 2 is duidelijke aanwezigheid van de risicofactor). Scores worden verkregen door optelling van de items van de vier schalen en optelling van alle scores voor een totale J-SOAP score. Het risico wordt berekend door de score per schaal te delen met de maximale score, leidend tot een percentage.
K-Bit Screeningsinstrument-Intelligentietest De Kaufman Brief Intelligence Test (K-Bit; Kaufman & Kaufman, 1990) is bestemd voor personen tussen de 4 en 90 jaar. Het is een screeningsinstrument voor intelligentie en bestaat uit twee subtesten: ‘vocabulary’ (82 items) en ‘matrices’ (37 items). De eerste test is een verbale test waarbij men objecten moet benoemen en woorden moet vinden na aanbieding van een cue. De tweede test is een non-verbale test waarbij patronen gecompleteerd moeten worden.
K-Snap Screeningsinstrument De Kaufman Neuropsychologische Screening (K-Snap; Kaufman & Kaufman, 1994; Nederlandse versie: Dekker, Mulder, Dekker, 2005) is een korte eerste screening van het cognitief functioneren en opvallende afwijkingen hierin door hersenletsel, een psychose, dementie et cetera. De K-SNAP is bedoeld om binnen korte tijd een indruk te verkrijgen of uitgebreid npo nodig is. Het is geen vervanging van npo. Deze test is bedoeld voor screening van probleemoplossend vermogen. De test is ontwikkeld op grond van neuropsychologische en cognitief psychologische theorie en onderzoeksresultaten op deze gebieden. Er is een theoretische achtergrond, in de zin dat er een relatie wordt gelegd met het model van Luria, betreffende de drie functionele systemen of “blokken”. Met deze vier subtests wordt het functioneren op drie niveaus van cognitieve complexiteit in kaart gebracht. De Nederlandstalige K-SNAP bevat vier subtests: Mentale Status, Figuur Herkennen, Cijfers Nazeggen, Code-Woorden. Met deze vier subtests wordt het functioneren op drie niveaus van cognitieve complexiteit in kaart gebracht. Niveau I: de subtest Mentale Status meet aandacht en oriëntatie. Niveau II: de subtests Cijfers Nazeggen en Figuur Herkennen. Cijfers Nazeggen wordt in de handleiding in verband gebracht met geheugen, auditieve informatie en sequentiële informatieverwerking. Voor Figuur Herkennen wordt de relatie gelegd met waarnemen, visuele informatie en simultane informatieverwerking. Niveau III: met de subtest Code-Woorden meet men planning: men moet een plan van aanpak opstellen, uitvoeren en controleren of het resultaat goed is. De subtest bestaat uit 25 items waarbij de cliënt uit aangeboden aanwijzingen het ‘geheime' codewoord afleidt. De doelgroep bestaat uit jeugdigen en volwassenen van 14-85 jaar met een licht verstandelijke beperking of zwakbegaafdheid (IQ bereik van 65-90). Voor meer info, zie ook: https://www.nifpnet.nl/Portals/0/wetenschap%20en%20opleidingen/wetenschap/tests/Factsheet%20K-SNAP.pdf
KAIT Intelligentietest De Kaufman Intelligentietest (voor Adolescenten en) Volwassen (KAIT; Nederlandse versie; Dekker, Mulder en Dekker, 2005) is een intelligentietest voor personen tussen de 14 en 85+ jaar. De test is gebaseerd op neuropsychologische theorieën over de structuur van intelligentie en maakt een onderscheid tussen ‘crystalized intelligence’ (kennis) en ’fluid intelligence’ (probleemoplossend en adaptief vermogen). De KAIT bestaat uit een kernbatterij van zes subtesten en vier additionele tests (voornamelijk geheugentests).
LEC Zelfrapportagevragenlijst De Life Events Checklist (LEC; Blake et al., 1995) is een korte vragenlijst, bestaande uit 17 items, die ontworpen is om traumatische gebeurtenissen te achterhalen. De respondent beoordeelt voor elk item of (a) de gebeurtenis persoonlijk gebeurd is, (b) hij getuige was van de gebeurtenis, (c) hij niet zeker weet of de gebeurtenis op hem van toepassing is (d) de gebeurtenis niet van toepassing is.
LS/CMI Risicotaxatie-instrument en casemanagement tool De Level of Service/Case Management Inventory (LS/CMI; Andrews, Bonta & Wormith, 2004) is een risicotaxatie-instrument die de risicofactoren en behoeften vaststelt in oudere adolescenten en volwassen daders. De LS/CMI is ook een volledig functionerende case management tool. De LS/CMI biedt alle hulp die nodig is om professionals te helpen bij de planning van de behandeling en management van daders in correctionele settings.