Instrumentendatabank

De instrumentendatabank biedt een overzicht van ruim 200 instrumenten die gebruikt worden binnen de forensische psychiatrie. In de instrumentendatabank wordt ieder instrument kort beschreven en informatie gegeven over het type instrument, de validiteit en betrouwbaarheid, de afnameduur, de belangrijkste literatuurbronnen en waar het instrument te verkrijgen/downloaden is.

Naam Type instrument Omschrijving
CISS Zelfrapportagevragenlijst. De Coping Inventory for Stressful Situations (CISS; Endler & Parker, 1999) meet de multi-dimensionele coping. Er wordt onderscheid gemaakt tussen probleemgerichte en emotiegerichte coping. Daarnaast wordt een vermijdingsgericht copingsaspect onderkend.
Cliëntenthermometer Evaluatie-instrument De ‘GGZ Thermometer’ is een beknopt instrument waarmee instellingen op gezette tijden kunnen onderzoeken hoe cliënten de geboden zorg waarderen. De eerste versie uit 2001 was alleen geschikt voor toepassing in de volwassenenzorg en kwam tot stand op basis van een pilotstudie in vijf GGZ-instellingen. Op grond van de resultaten van deze studie besloot GGZ-Nederland de Thermometer voor de volwassenenzorg landelijk in te voeren. Bovendien werd het instrument geschikt verklaard voor landelijke toepassing in een experimenteel benchmark-traject, om de afzonderlijke resultaten van instellingen met elkaar te kunnen vergelijken. Een peiling in augustus 2002 gaf aan dat al vijftig instellingen het instrument gebruikten. De aanpassingen in de versie 2003 zijn beperkt in aard en omvang. De grootste verandering betreft een aanpassing in de antwoordcategorieën. In de nieuwe versie van de Thermometer kunnen cliënten alleen nog maar antwoorden met ja of nee.
CSQ-8 Zelfrapportagevragenlijst De Client Satisfaction Questionnaire-8 (CSQ-8, Larsen et al, 1979; Nederlandse versie; De Brey, 1983) is een vragenlijst die de globale tevredenheid van een deelnemer over een interventie kan meten. De vragenlijst bestaat uit acht uitspraken die aan hand van een 4-punt Likert schaal door de deelnemers beoordeeld worden. Om het totale niveau van tevredenheid te kunnen meten, wordt een gemiddelde tevredenheidscore berekend met een minimum score van 1 en een maximum score van 4. Hogere scores indiceren hogere tevredenheid.
CTQ Zelfrapportage-instrument De Childhood Trauma Questionnaire (CTQ, Bernstein et al., 1994; Nederlandse vertaling; Van den Hazel & Didden, 2009) is een retrospectief zelfrapportage-instrument dat gebruikt wordt om vijf vormen van mishandeling en verwaarlozing vast te stellen (emotioneel misbruik, fysiek misbruik, seksueel misbruik en emotionele en fysieke verwaarlozing).. Deze vijf schalen van mishandeling of verwaarlozing worden elk vormgegeven door vier items. De deelnemers geven voor ieder item de frequentie van mishandeling en verwaarlozing weer op een 5-punt Likert schaal : ‘0’, nooit waar; ’1’, zelden waar; ‘2’, soms waar; ‘3’, vaak waar en ‘4’, zeer vaak waar.
DACOBS Zelfrapportage instrument De Davos Assessment of Cognitive Bias Scale (DACOBS; Van der Gaag et al., 2013) is een vragenlijst die subjectieve ervaring van cognitieve bias meet, daarbij gebruik makend van 42 items op een 7-punt Likert-scale. De volgende vormen van cognitieve bias worden gemeten: the jumping-to-conclusions bias, dogmatism bias, selective attention bias and the self-as-target bias. In aanvulling hierop zijn er vragen betreffende cognitieve beperkingen en veilig gedrag.
DAPP-BQ Assessment De Dimensional Assessment of Personality Pathology-Basic Questionnaire (DAPP-BQ) dient voor het onderscheiden van persoonlijkheidsstoornissen op achttien dimensies. De Nederlandse bewerking van de DAPP-BQ bestaat uit 290 vragen die door de cliënt zelf beantwoord worden (Van Kampen & De Beurs, 2009). Bij de Nederlandse bewerking van de DAPP-BQ is ook een screeningsversie ontwikkeld (Van Kampen, De Beurs & Andrea, 2009). De DAPP screening bestaat uit 136 items waarmee dezelfde achttien dimensies kunnen worden beoordeeld. Doelgroep: Afname is mogelijk bij volwassenen die tenminste kunnen lezen op het eindniveau van de basisschool. Zie ook: http://www.hogrefe.nl/alle-producten/producten-single/dapp-bq-dimensionale-assessment-van-persoonlijkheidspathologie-inclusief-nederlandse-screeningsvers.html
DASA-IPV Risicotaxatie-instrument De Dynamic Appraisal of Situational Aggression, Inpatient Version (DASA-IPV; Daffern, i.v.; Daffern & Howells, 2002; Daffern, Mayer & Martin, 2003)) is te vergelijken met de Brochet Violence Checklist (BVC). Het gaat om de voorspelling van op korte termijn te verwachten agressief gedrag door een (forensisch-)psychiatrische patiënt. Voor zover het geen forensische psychiatrie is, gaat het dan met name om psychiatrische patiënten,opgenomen op een acute afdeling. Het instrument kan gezien worden als een verdere ontwikkeling van de BVC. Ook in de DASA gaat het om de voorspelling van agressie (agressief gedrag) van een (forensisch-)psychiatrische patiënt (vooral voor psychiatrische patiënten, opgenomen op een acute afdeling) in de komende 24 uur.
DASS-21 Assessment De Depressie Angst Stress Schaal (DASS; Lovibond & Lovibond, 1995; NL vertaling De Beurs et al., 2001) is een vragenlijst voor het weergeven van negatieve emoties met als doel drie symptoomgroepen te onderscheiden namelijk: Angst , Depressie en Stress. Op basis van de oorspronkelijk schaal van 42 items, de DASS-42, is een verkorte versie samengesteld, de DASS-21-R De lijst bestaat respectievelijk uit 42 en 21 vragen waarbij steeds een keuze gemaakt wordt uit vier antwoord mogelijkheden van “Helemaal niet of nooit van toepassing” (=0) tot “Zeer zeker of meestal van toepassing”(=3). De scores voor het totaal en voor de subschalen worden berekend door de somscores te bepalen van de samenstellende items. Door vergelijking met de normgroep wordt de score omgezet in een zevenpuntschaal zeer hoog – gemiddeld – zeer hoog). Naast de totaalscore worden drie subschalen onderscheiden: DEP: Depressie ANG: Angst STR: Stress
DAST Screening-zelfrapportagevragenlijst De Drug Abuse Screening Test (DAST; Skinner, 1982; Van den Brink, 1999) is een goed gevalideerd kort screeningsinstrument dat ontwikkeld werd in Canada en gebaseerd is op de MAST (28-items). Het instrument werd ontwikkeld om personen te screenen op problematisch illegaal druggebruik in de laatste 12 maanden. De vragen zijn te beantwoorden met “ja” of “neen”. Sommige vragen peilen ook naar afhankelijkheid.
DCL Zelfrapportagevragenlijst De Dutch Coping List meet ‘coping’-gedrag bij de confrontatie met problemen of stressvolle gebeurtenissen. De DCL is op basis van vier bestaande copinglijsten ontwikkeld: de Leuvense Coping Lijst (LCL), Utrechtse Coping Lijst (UCL), Vragenlijst Aangaande Coping met Specifieke Situaties of Symptomen (VACSS) en de de Ways of Coping Checklist. Er wordt geen expliciet onderscheid gemaakt tussen iemands gedachten en hetgeen iemand daadwerkelijk doet. Met de DCL worden redelijk stabiel eigenschappen gemeten. De DCL is te beschouwen als een betrouwbaar en valide instrument dat inzicht geeft in de wijze waarop iemand omgaat met problemen. Op basis van zeven schalen wordt de ‘copingstijl’ van iemand onderzocht. Dat wil zeggen hoe iemand in het algemeen neigt te reageren op een stressverwekkende situatie. Men kan in principe alle stijlen toepassen en het hangt van de situatie af welke men toepast. Er zijn ook per persoon voorkeursstijlen. De DCL is een zeer eenvoudig af te nemen, 48 items tellende, zelfrapportagevragenlijst. De vragenlijst is zowel op theoretische als op empirische basis ontwikkeld en meet zeven verschillende copingstrategieën. Het is een algemene meetmethode van de verschillende vormen van copinggedrag zowel wat betreft stressoren in algemene als in specifieke omstandigheden.
DIB Semigestructureerd diagnostisch interview Het Diagnostic Interview for Borderline patients (DIB) is oorspronkelijk ontwikkeld door Gunderson et al. (1981) en in het Nederlands vertaald door Derksen (1988). Zanarini reviseerde de DIB om de diagnose scherper af te grenzen met andere persoonlijkheidsstoornissen (Zanarini, Frankenburg & Vujanovic, 2002). In het interview worden vier gebieden uitgevraagd: affect, cognities, impulsief gedrag en interpersoonlijke relaties. De gereviseerde versie (DIB-R) is nog niet in het Nederlands vertaald.
DIS-Q Screeningsinstrument De Dissociation Questionnaire (DIS-Q; Vanderlinden, 1993) is een zelfinvulvragenlijst. Er wordt gevraagd in welke mate de 63 verschillende uitspraken van toepassing zijn. De antwoorden worden gescoord op een Likert-schaal variërend van 1 (‘helemaal niet’) tot 5 (‘heel erg’). De dis-q-score is het quotiënt van de totaalscore (variërend van 63 tot 315) en het aantal vragen (63), en kan dan ook variëren van 1 tot 5. Wanneer de dis-q-score hoger of gelijk is aan het afkappunt van 2,5 kan geconcludeerd worden dat de kans op dissociatieve symptomatologie verhoogd is. Naast de 63 items informeert de dis-q ook naar leeftijd, geslacht, demografische status en opleiding. Tevens wordt gevraagd naar ‘zwaar belastende, levensbedreigende of traumatische gebeurtenissen in het persoonlijke leven’, die eventueel gespecificeerd kunnen worden aan de hand van verschillende keuzemogelijkheden: ernstig lichamelijk letsel, oorlogssituatie, seksuele mishandeling, emotionele mishandeling, incest, anderszins. De vragenlijst bestaat uit vier subschalen: (1) ‘identiteitsverwarring en identiteitsfragmentering’; (2) ‘controleverlies over gedragingen, gedachten en gevoelens’; (3) ‘amnesie’ en (4) ‘verhoogde concentratie’.
DIVA Gestructureerd diagnostisch interview Het Diagnostisch Instrument Voor ADHD bij volwassenen (DIVA; Kooij & Francken, 2010) is gebaseerd op de DSM-IV criteria en is het eerste gestructureerde Nederlandse interview voor ADHD bij volwassenen. De DIVA is ontwikkeld door J.J.S. Kooij en M.H.Francken en is de opvolger van het eerdere Semi-Gestructureerde Interview voor ADHD bij volwassenen. Om de beoordeling van de aan- of afwezigheid van alle 18 criteria voor ADHD in kindertijd zowel als volwassenheid te vergemakkelijken, worden er in het interview steeds concrete en realistische voorbeelden van zowel het huidige, als van het gedrag in de kindertijd gegeven. De voorbeelden zijn gebaseerd op gangbare beschrijvingen van gedrag door volwassen patiënten met ADHD aan het team ADHD bij volwassenen van PsyQ te Den Haag. Ook van het disfunctioneren door de symptomen in het dagelijks leven worden op vijf terreinen concrete voorbeelden gegeven: werk en opleiding, relatie en gezinsleven, sociale contacten, vrije tijd / hobbies en zelfvertrouwen / zelfbeeld. Indien mogelijk wordt de DIVA afgenomen bij volwassen patiënten in aanwezigheid van partner en/of familieleden, om zo retrospectieve en hetero-anamnestische informatie gelijktijdig te kunnen beoordelen.
DRAMS Zelfrapportagelijst De Dynamic Risk Assessment and Management System (DRAMS; Lindsay et al., 2004) is een zelfrapportagelijst, die oorspronkelijk is opgezet voor therapie-evaluatie. Het bestaat uit tien domeinen en geeft een inventarisatie van het gedrag en de gevoelens van de cliënt. De antwoordcategorieën zijn gevisualiseerd. Doelgroep: specifiek ontwikkeld voor LVB, klinisch
DROS Behandelevaluatie De Dynamic Risk Outcomes Scales (DROS; Drieschner & Hesper, 2007) wordt gebruikt voor behandelevaluatie. Het bevat voornamelijk dynamische risicofactoren en kan daardoor gebruikt worden bij het inschatten van het risico van recidive bij de LVB doelgroep. Het instrument bestaat uit 44 items gegroepeerd in 15 schalen, die worden gemeten op een 2, 3 of 4 puntsschaal. 1. Probleembesef/ inzicht (3 items) 2. Attitude t.o. huidige behandeling of begeleiding (2 items) 3. Ideeën, verwachtingen over situatie na behandeling (2 items) 4. Medewerking aan de behandeling/ begeleiding (4 items) 5. Criminogene attitude (4 items) 6. Copingsvaardigheden (3 items) 7. Vijandigheid (3 items) 8. Seksgerelateerde cognities/grensoverschrijdend gedrag (3 items) 9. Impulsiviteit (2 items) 10. In stand houden v. stabiliserende prosociale structuren (2 items) 11. Zelfredzaamheid (6 items) 12. Sociale vaardigheden en gedrag (3 items) 13. Verslaving, middelengebruik en gokken (3 items) 14. Psychotische symptomen (3 items) 15. Sociaal netwerk (1 item) Doelgroep: forensisch, niet-forensisch, algemeen geweld, ambulant, ontwikkeld in Nederland voor forensisch LVB. Methode: Gestructureerd professioneel oordeel Per 1 januari 2015 geldt dat voor het meten van de voortgang van de behandeling (ROM) een keuze gemaakt moet worden uit de volgende instrumenten: -HoNOS -Mate (verslaafden) -DROS (verstandelijk beperkten) De meting geldt voor alle klinische en ambulante patiënten met uitzondering van de patiënten bij wie de DDBC-hoofdgroep persoonlijkheidsstoornissen, seksuele stoornissen of verdiepingsdiagnostiek is geopend. De verplichting geldt voor alle forensische settingen met uitzondering van RIBW, FO en ambulante begeleiding. zie ook: http://www.efp.nl/web/images/uploads/publicaties/20140827_factsheet.pdf
DSM-5 Classificatiesysteem De DSM (Diagnostic Statistical Manual of Mental Disorders) is het internationale classificatiesysteem van de Geestelijke Gezondheidszorg, uitgegeven en opgesteld door de American Psychiatric Association. De vorige versie (uit 2000) was een tekstrevisie van de vierde editie, aangeduid als DSM-IV-TR. In mei 2013 is deze opgevolgd door de DSM-5 (APA, 2013). De DSM was noodzakelijk geworden om een einde te maken aan de internationale spraakverwarring in de literatuur over psychische aandoeningen. Zo kon met de DSM veel meer eenheid gebracht worden in diagnosen: het was nodig om alle symptomen duidelijk te omschrijven, en precies te definiëren welke symptomen kunnen voorkomen bij een ziektebeeld, en hoeveel symptomen aanwezig dienen te zijn, voordat er gesproken kan worden van een bepaald syndroom of ziektebeeld bij een patiënt. Voor meer informatie zie: https://www.boompsychologie.nl/themas/dsm5 en https://nl.wikipedia.org/wiki/Diagnostic_and_Statistical_Manual_of_Mental_Disorders
DUDIT Screener De Drug Use Disorders Identification Test (DUDIT; Berman et al., 2003) is parallel aan de AUDIT ontwikkeld en bedoeld voor de identificatie van individuen met druggerelateerde problemen. De DUDIT wordt gebruikt in de eerste stap van de assessment van druggerelateerde problemen. Het doel van deze stap is het screenen van individuen met problematisch druggebruik of drugafhankelijkheid en degenen uitvlakken die deze problemen niet hebben. De DUDIT bestaat uit 11 items. Het doel van de items is het identificeren van gebruikspatronen en diverse druggerelateerde problemen.
EMBU Zelfrapportagevragenlijst De Egna Minnen Beträffende Uppfostran (EMBU; Nederlandse versie; Arindell et al., 1983) is een vragenlijst die bij jongeren vanaf 16 jaar en volwassenen herinneringen aan de opvoeding in kaart brengt. Het instrument meet voor elk van beide ouders de opvoedingsstijlen 'Afwijzing', 'Emotionele Warmte', 'Overbescherming' en 'Voortrekken van de respondent'. De EMBU wordt met name gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. De EMBU bestaat uit 81 items. Er zijn 64 items die gaan over de relatie en ervaringen met de ouders in de kindertijd. De respondent moet de items apart beantwoorden voor de vader en de moeder. De items hebben de volgende vier antwoordcategorieën: 'Nee, nooit', 'Ja, maar zelden', 'Ja, vaak' en 'Ja, meestal'. De items worden onderverdeeld in vier subschalen: •Verwerping (25 items); •Emotionele warmte (18 items); •Overbescherming (16 items); •Verwenning (5 items). Naast bovenstaande items zijn er 21 biografische vragen opgenomen en twee vragen om een indruk te krijgen van de mate waarin de ouders van de respondenten streng en consequent waren in hun opvoedingsgedrag. De verkorte versie van de EMBU (s-EMBU) bestaat uit 23 items voor elk van beide ouders, verdeeld over de subschalen 'Afwijzing', 'Emotionele warmte' en 'Overbescherming'.
EMT Assessment De Een-Minuut-Test (EMT; Brus & Voeten, 1973) wordt gebruikt voor de niveaubepaling van het technische lezen van losse woorden. Doelgroep: leerlingen groep 4 t/m 8 van het basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Schooltoets bestaande uit twee vormen. Zowel vorm A als vorm B bestaan uit een lijst met 116 onder elkaar geplaatste woorden die het kind vlug en duidelijk moet voorlezen. De EMT is opgenomen in het leerlingvolgsysteem "Leer in Zicht".
EPQ Persoonlijkheidsvragenlijst De Eysenck Personality Questionnaire (EPQ; Eysenck & Eysenck,1991; Nederlandstalige versie; Sanderman, Arrindell, Ranchor, Eysenck & Eysenck, 2012) is een instrument om verschillende dimensies van persoonlijkheid, de stabiele kenmerken van een persoon, te meten. Er is sprake van twee versies; de lange versie (EPQ) en de verkorte gereviseerde versie (EPQ-RSS). In beide instrumenten zijn dezelfde vier schalen opgenomen, te weten: Psychoticisme, Extraversie, Neuroticisme en Sociale Wenselijkheid. Voor beide versies gelden dezelfde beschrijvingen van de schalen.
EssenCES Assessment De Essen Climate Evaluation Schema (EssenCES; Schalast, Redies, Collins, Stacey, & Howells, 2008) is een vragenlijst die gaat over het klimaat op een afdeling en bestaat uit 15 items, welke onderverdeeld is in 3 subschalen. Deze subschalen zijn (1) de ondersteuning tussen patiënten, (2) de veiligheidsbeleving van medewerkers en (3) de betrokkenheid van het team naar patiënten (therapeutic hold).
ESSEON-R Assessment De ESSEON-R is een schaal voor het schatten van het sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Het sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau wordt uitgedrukt in een ontwikkelingsleeftijd. Het is een gedragsbeoordelingsschaal die buiten de aanwezigheid van de cliënt kan worden ingevuld. Specifieke gedragsobservatie is alleen dan nodig als het niet bekend is of bepaald gedrag wel of niet kenmerkend voor een cliënt is. Door in beide domeinen alle 76 items te scoren op 'kenmerkend' of 'niet kenmerkend' en vervolgens een eenvoudige rekenregel toe te passen kan het sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau bepaald worden. Doelgroep: kinderen en volwassenen bij wie een bepaling van het niveau van de sociaal-emotionele ontwikkeling binnen het bereik van de ontwikkelingsleeftijd van 0 -14 jaar om uiteenlopende redenen gewenst is. Voor meer informatie, zie ook: http://www.nji.nl/nl/Experimentele-Schaal-voor-de-beoordeling-van-het-Sociaal-Emotionele-Ontwikkelingsniveau-%28ESSEON%29
Euroqol-5D Zelfrapportagevragenlijst De Euroqol-5D (EQ-5D; EuroQol, 1990) is een gestandaardiseerd instrument waarmee op vijf gezondheidsniveaus (mobiliteit, zelfzorg, dagelijkse activiteiten, pijn/ongemak en angst/depressie) een score (weinig, matig, veel problemen) wordt gegeven. Hieruit kan voor een individu of populatie een gewogen gezondheidsindex worden afgeleid. De vragenlijst bevat totaal 14 items: aspecten van gezondheidstoestand (5 items, drie antwoordcategorieën), ervaren gezondheid (1 item, ‘thermometer’met 0-100 schaal) en demografische kenmerken (8 items). EuroQol is complementair aan andere ‘quality of life’-meetinstrumenten (zoals SF-36). Het is bedoeld om door de patiënt zelf te worden ingevuld (in enkele minuten). Om de lijst goed te kunnen interpreteren, is het belangrijk dat de zorgverlener bekend is met de demografische gegevens van de patiënt. Er bestaat ook een Euroquol (EQ-6D) deze heeft als extra item ’cognitie’ verwerkt in de vragenlijst.
FAM Risicotaxatie-instrument De Female Additional Manual (FAM; De Vogel, De Vries Robbé, Van Kalmthout & Place, 2011) is een aanvulling op de HCR-20/HCR-20:V3 (of HKT-30) en is bedoeld voor een adequate inschatting van het risico op gewelddadig gedrag door vrouwen. Hierdoor kan een beter afgestemd risicomanagement en behandeling aan vrouwen geboden worden. De FAM meet negen specifieke risicofactoren voor vrouwen (5 historische, 2 klinische en 2 risicohanteringsitems). De FAM is ontwikkeld in de Van der Hoevenkliniek. Nederlandse versie verschenen in 2011; Engelse versie in 2012; Finse, Franse, Engelse en Nederlandse FAM volledig aangepast aan HCR-20:V3 in zomer 2014; Spaanse, Italiaanse, Deense en Zweedse versie verwacht in 2014.
FARE Risicotaxatie-instrument en ROM De Forensisch Ambulante Risico Evaluatie (FARE; Van Horn, Eisenberg, Bouman,Van den Hanenberg, Van der Put & Bogaerts, 2016) is een risicotaxatie-instrument waarmee op basis van de uitkomsten een actuariële inschatting gemaakt kan worden van het recidiverisico, met de mogelijkheid om op basis van een gefundeerd klinisch oordeel tot een andere beoordeling van het recidiverisico te komen (klinische aanpassing). De uitkomsten informeren de taxateur en behandelaars over welke risicofactoren en eventueel beschermende factoren van belang zijn om het recidiverisico te verminderen. In het kader van Routine Outcome Monitoring zijn de dynamische risicofactoren van de FARE geschikt om de behandelvoortgang (progressie, stagnaties, achteruitgang) van patiënten in forensische poliklinische behandeling, periodiek te meten. De ROM-resultaten kunnen als feedback worden ingebracht tijdens de therapeutische gesprekken. De FARE wordt op dit moment in verschillende forensische poliklinieken geïmplementeerd, zowel ten behoeve van door KFZ gefinancierd onderzoek als ten behoeve van de behandeling en behandelevaluatie. Het instrument is zowel door SBG als het ministerie van Veiligheid en Justitie toegevoegd als ROM instrument voor de instellingen die deelnemen aan het onderzoek.