Instrumentendatabank

De instrumentendatabank biedt een overzicht van ruim 200 instrumenten die gebruikt worden binnen de forensische psychiatrie. In de instrumentendatabank wordt ieder instrument kort beschreven en informatie gegeven over het type instrument, de validiteit en betrouwbaarheid, de afnameduur, de belangrijkste literatuurbronnen en waar het instrument te verkrijgen/downloaden is.

Naam Type instrument Omschrijving
SCID-I Assessment – semi-gestructureerd diagnostisch interview De Structured Clinical Interview for DSM-IV Axis I Disorders (SCID-I; First et al., 1996) is een veelgebruikt psychodiagnostisch interview voor het detecteren van DSM-IV stoornissen. De SCID-I bevraagt as I-symptomen van de DSM-IV. Van dit interview is een Nederlandse bewerking op de markt (Van Groenestijn et al., 1999). De SCID bestaat in verschillende versies: een research versie (die weer verschillende varianten kent) en een klinische versie. De research versie is het meest uitgebreid; hiervan bestaat een ‘patiëntversie’, bedoeld voor personen die zeker lijden aan een psychische stoornis, en een ‘niet-patiënt versie’, voor personen van wie het op voorhand niet duidelijk is of ze lijden aan een dergelijke stoornis. De research versies van de SCID bestaan uit tien modules, te weten: stemmingsepisodes; psychotische en aanverwante symptomen; psychotische stoornissen; stemmingsstoornissen; middelengebruik; angststoornissen; somatoforme stoornissen; eetstoornissen; aanpassingsstoornissen en facultatieve stoornissen (zoals bijvoorbeeld acute stressstoornis of hypomane episode). De vragen die betrekking hebben op de criteria van het betreffende klinische syndroom worden gescoord van 1 tot 3 op aanwezigheid van het symptoom of een ? voor ontbrekende of onduidelijke informatie. Aan het eind van het interview worden de scores opgeteld voor de uiteindelijke classificatie. De interviewer wordt aangemoedigd om naast de antwoorden op de vragen ook gebruik te maken van andere bronnen van informatie, zoals observatie van het gedrag van de geïnterviewde, informatie uit dossiers of informatie van derden. De klinische versie van de SCID-I is een verkort interview, waarbij alleen de meest voorkomende diagnoses worden uitgevraagd; subtypes worden daarbij niet onderscheiden. De klinische versie wordt bijvoorbeeld gebruikt in intakeprocedures of ter bevestiging van het vermoeden van een bepaalde diagnose.
SCID-II Assessment – semigestructureerd diagnostisch interview. De Structured Clinical Interview for DSM-IV Axis II Personality Disorders (SCID-II; First, Spitzer, Gibbon et al., 1997; Nederlandse vertaling; Weertman, Arntz & Kerkhofs, 2000) bestaat uit modules voor alle elf persoonlijkheidsstoornissen, waarbij de vragen zijn gegroepeerd naar stoornis. Daarnaast is een appendix toegevoegd voor classificatie van de depressieve en passief-agressieve persoonlijkheidsstoornis. Voorafgaand aan het interview kan de SCID-II Persoonlijkheidsvragenlijst als screener afgenomen worden.
SCIL Screener De SCreener voor Intelligentie en Licht verstandelijke beperking (SCIL; Kaal, Nijman & Moonen, 2015) is geschikt om snel te screenen op een mogelijke verstandelijke beperking. Het is een korte screeningslijst die in negen van de tien gevallen een verstandelijke beperking correct voorspelt. In september 2015 is de SCIL 14-17 over jongeren verschenen. Deze is beschikbaar naast de eerder verschenen SCIL 18+ voor volwassenen. Er is een nieuwe handleiding waarin alle informatie over beide versies is samengevoegd. Een verstandelijke beperking is niet altijd direct zichtbaar, maar is wel van grote invloed op het algemeen functioneren. Het gaat bij een verstandelijke beperking om een combinatie van een lager dan gemiddeld IQ (tussen de 50 en 85) en beperkingen in het gedrag die leiden tot problemen in het maatschappelijk functioneren.
SCL-90 Assessment – Zelfrapportagevragenlijst De Symptom Checklist-90 (SCL-90; Derogatis, 1977, Nederlandse vertaling; Arrindel & Ettema, 1975) is een zelfbeoordelingsschaal die lichamelijke en psychische klachten meet ten behoeve van de screening van psychopathologie. De vragenlijst bestaat uit negentig omschrijvingen van klachten, waarbij de onderzochte moet aangeven in welke mate hij/zij daar de afgelopen week last van heeft gehad. Er zijn acht schalen: agorafobie, angst, depressie, somatische klachten, insufficiëntie van denken en handelen, wantrouwen en interpersoonlijke sensitiviteit, hostiliteit en slaapproblemen. Een totaalscore op de SCL-90 duidt het algehele niveau van psychisch/lichamelijk disfunctioneren aan (psychoneurotisme). De SCL-90 kan gebruikt worden in diagnostiek, in onderzoek naar effecten van therapie en in bevolkingsonderzoek. Voor de normeringschalen is gekozen voor een zevenpuntsindeling lopend van ‘zeer laag’ tot ‘zeer hoog’. Er zijn normen voor poliklinische psychiatrische patiënten, algemene bevolking, chronische pijnpatiënten, klinische verslaafden, en eerstelijnsclienten van psychologen- en huisartsenpraktijken.
SDAS Gedrags-observatieschaal De Social Dysfunction and Aggression Scale (SDAS; Wistedt et al., 1990, Nederlandse vertaling; Van der Werf, 1997) meet de mate van agressiviteit van patiënten. De SDAS is ontwikkeld in 1990 als schaal voor gebruik binnen klinische afdelingen met middellange tot lange gemiddelde verblijfsduur en voor alle psychiatrische patiënten. Het is een gedrags-observatieschaal waarmee niet zozeer afzonderlijke agressieve-incidenten, maar de mate van agressiviteit over een beoordelingsperiode van een week in kaart worden gebracht. Er zijn 11 items, waarvan twee items naar binnengerichte agressie meten en negen items naar buitengerichte agressie meten. Doelgroep: Forensisch, niet-forensisch, klinisch, ambulant, algemeen geweld Methode: Actuarieel
SDRS Risicotaxatie-instrument De Short Dynamic Risk Scale (SDRS; Quinsey, 2004 ) meet het toenemen van gevaar; het is een incidenten voorspeller. Het is een verkorte samenvoeging van twee instrumenten (Problem Identification Checklist en de Proximal Risk Factor Scale). Het instrument bestaat uit 8 vragen, waarbij schalen van 0-4 lopen. Doelgroep: Forensisch, niet-forensisch, algemeen geweld; ontwikkeld voor de klinische setting maar ook ambulant te gebruiken. Het instrument is speciaal ontwikkeld voor LVB. Methode: Actuarieel. Voorlopig vertaalde versie (Trajectum Hoeve Boschoord); researchversie.
SEO-R Assessment De Experimentele Schaal voor Emotionele Ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking-Revised (SEO-R; Claes & Verduyn, 2011) maakt een inschatting van de emotionele ontwikkeling bij iemand met een verstandelijke beperking. De SEO-R is opgebouwd uit dertien schalen die de verschillende sociaal-emotionele ontwikkelingsdomeinen representeren, te weten: omgang met eigen lichaam, omgang met andere volwassenen, beleving van zichzelf, ontwikkelen van objectpermanentie, angsten, omgang met leeftijdsgenoten, omgang met materiaal, verbale communicatie, affectdifferentiatie, agressieregulatie, omgaan met vrije tijd, morele ontwikkeling en emotieregulatie. Doelgroep: kinderen, jongeren en volwassenen Ontwikkeld door prof. dr. Anton Došen en bewerkt door Lien Claes en Anne Verduyn, december 2011.
SIDP-IV Assessment-gestructureerd interview De Structured Interview for DSM Personality Disorders (SIDP-IV; Pfohl, Blum & Zimmerman, 1995) is gebaseerd op diens voorlopers (SIDP voor DSM-III en SIDP-R voor DSM-III-R) die over goede psychometrische kenmerken bleken te beschikken. De Nederlandse vertaling van de SIDP-IV is van De Jong et al. (1996). De SIDP-IV omvat tien secties, betrekking hebbend op verschillende levensgebieden (activiteiten en belangstelling, werk, relaties, sociale contacten, emoties, observaties, zelfpercepties, kijk op anderen, stress en boosheid en sociale conformiteit). De interviewvragen zijn geordend op basis van de secties en niet op basis van de persoonlijkheidsstoornissen. Wel staat bij elke vraag het betreffende DSM-IV criterium dat gemeten wordt.
SIG Zelfbeoordelingsvragenlijst De Schaal voor Interpersoonlijk Gedrag (SIG; Arindell, De Groot & Walburg, 1984) lijkt erg op de IOA. Deze test meet met vijftig items de spannings- en vermijdingsaspecten van sociaal gedrag. De volgende vier schalen worden onderscheiden: uiten van negatieve gevoelens, uiten van onzekerheid en eigen ontoereikendheid, zichzelf kenbaar maken, uiten van positieve gevoelens. Daarnaast zijn er twee totaalscores: een op ervaren spanning en een op frequentie van uitvoering van sociale gedragingen. Aan de hand van deze totaalscores kunnen respondenten worden ingedeeld in vier typen: assertieven, angstige uitvoerders, sub-assertieven, onverschilligen.
SMI Zelfrapportagevragenlijst De Schema Modi Inventory (SMI; Young et al., 2007) brengt schemamodi in kaart. De modi zijn onderdeel van het schemamodel van Young en refereren aan verschillende cognitieve, emotionele en gedragstoestandsbeelden waarin een persoon zich bevindt. De SMI bestaat uit 14 modi (Kwetsbare kind, Woedende kind, Razende kind, Impulsieve kind, Ongedisciplineerde kind, Blije kind, Willoze inschikkelijke, Onthechte beschermer, Onthechte zelfsusser, Zelfverheerlijker, Pest- en aanval. Straffende ouder, Veeleisende ouder, Gezonde volwassene) en is opgebouwd uit 118 items.
SOAS-R Observatieschaal De Staff Observation Aggression Scale Revised (SOAS-R; Nijman et al., 1999) is een agressieregistratie-instrument die de aard, ernst en frequentie van incidenten in kaart brengt. Het meet verbaal, fysiek en destructief agressief gedrag bij patiënten in een intramurale setting. De SOAS-R is een Nederlandse versie van de SOAS, waaraan enkele items over agressie tegen zichzelf zijn toegevoegd. Zo is aan de rubriek Doelwit van de agressie ‘patiënt zelf’ toegevoegd en aan de rubriek Maatregelen om de agressie te stoppen ‘separatie (deur op slot)’, ‘fixatie’ en ‘andere maatregelen’ toegevoegd. Doelgroep: Forensisch, niet-forensisch, klinisch, ambulant, algemeen geweld. Er is een speciale versie voor de verstandelijk gehandicaptenzorg. Methode: Actuarieel
SON 6-40 Intelligentietest De Snijders-Oomen Niet-Verbale Intelligentietest 6-40 (SON 6-40; Tellegen & Laros, 2011) is een intelligentietest die geschikt is voor personen die beperkt zijn in hun verbale communicatie (doven, slechthorenden, personen met taal- en spraakstoornissen), personen die weinig Nederlands spreken, voor autistische personen en voor kinderen met ontwikkelingsachterstanden. Het instrument is ook te gebruiken bij indicatiestelling voor LWOO-PrO. Doelgroep: 6 tot 40 jaar De SON 6-40 is eind september 2011 beschikbaar gekomen en vervangt de SON-R 5½-17 (zie hierboven). De SON-R 6-40 bestaat uit de vier onderdelen van de verkorte SON-R 5½-17, gericht op concreet en abstract redeneren en ruimtelijk inzicht. In de nieuwe SON-R is het aantal items uitgebreid en het plaatjesmateriaal vernieuwd. De onderdelen zijn: - Analogieën, 3 reeksen van 12 items. - Mozaïeken, 2 reeksen van 13 items. - Categorieën, 3 reeksen van 12 items. - Patronen, 2 reeksen van 13 items. De normen zijn gebaseerd op steekproeven uit Nederland en Duitsland (N=1933). De test bestaat uit 4 subtesten. In het computerprogramma van SON-R is een correctie voor het Flynn-effect (veroudering van de normen) ingebouwd.
SONAR Actuariëel dynamisch risicotaxatie-instrument De Sex Offender Need Assessment Rating (SONAR; Hanson & Harris, 2001) is het eerste actuariële dynamische instrument, ook ontwikkeld in Canada. De dynamische items van de SONAR zijn onderverdeeld in vijf stabiele factoren en vier acute factoren. De stabiele dynamische factoren zijn: • intimiteitsproblemen, • sociale invloeden, • antisociale opvattingen, • seksuele zelfregulering, • algemene zelfregulering. De acute dynamische factoren zijn: • middelenmisbruik, • negatieve stemming, • boosheid / vijandigheid, • toegang tot slachtoffers. De SONAR is minder gemakkelijk te scoren dan de statische actuariële instrumenten, omdat dynamische factoren vaak een inschatting van een psychologische toestand inhouden. De SONAR wordt internationaal nog regelmatig gebruikt. Inmiddels hebben Hanson en Harris de SONAR verder ontwikkeld tot twee instrumenten, de STABLE en de ACUTE.
SORAG Actuarieel statisch risicotaxatie-instrument De Sex Offender Risk Appraisal Guide (SORAG; Quinsey et al., 2006: Nederlandse versie: Jeandarme, Koeck & Pouls, 2012), ontwikkeld in de VS, is een gewijzigde vorm van de Violence Risk Appraisal Guide (VRAG), een veel gebruikt actuarieel, statisch risicotaxatie-instrument voor geweldsrecidive. Van de VRAG is één item aangepast – het geslacht van de slachtoffers – en één item verwijderd. Daarnaast zijn er drie items toegevoegd over eerdere seksuele en geweldsdelicten, en afwijkende seksuele interesses. Het resultaat is een instrument met 14 items, die deels relatief eenvoudig zijn te scoren (leeftijd, burgerlijke staat, criminele voorgeschiedenis), maar deels ook ingewikkelder zijn te scoren (persoonlijkheidsstoornis, ontwikkelingsproblemen, psychopathie). De scoring van de items is ingewikkeld wegens de weging en leidt tot een indeling in negen risicocategorieën. Vooral de bepaling van psychopathie met de PCL-R (of eventueel de PCL:SV), wanneer die score niet al voor de risicotaxatie beschikbaar is, kost veel extra tijd en inspanning. De PCL-R-score kan men eventueel vervangen door die op de veel eenvoudiger in te vullen CATS. Daarnaast heeft het instrument de uitslag van een fallometrisch onderzoek als item. Fallometrisch onderzoek wordt in Nederland niet gedaan bij deze doelgroep, maar deze maat kan men vervangen door de score op de SSPI, (Screening Scale for Pedophilic Interest, Seto & Lalumière, 2001), een met de RRASOR vergelijkbaar instrument, dat aan de hand van vier slachtofferkenmerken probeert aan te geven of er sprake is van een afwijkende seksuele interesse in kinderen. Ten slotte meet de SORAG de ernst van het delictverleden met de Cormier-Lang Criminal History Score, die elk delict een score geeft op grond van het Amerikaanse classificatie-systeem van delicten. Van deze lijst is geen Nederlandse vertaling beschikbaar. Al met al is de scoring van de SORAG vergeleken met de andere instrumenten moeizaam en tijdrovend. Het boek Violent Offenders (Quinsey et al, 2006) geeft – tamelijk summiere – coderingsregels.
SORM Risicomonitoring instrument. De Structured Outcome assessment and community Risk Monitoring (SORM; Grann et al., 2005; Nederlandstalige versie Hilterman & Bouman, 2004) is ontwikkeld voor gebruik bij gestructureerde effectevaluatie en risicomonitoring. De SORM bestaat uit dertig dynamische items en elk item wordt twee maal beoordeeld. Eerst wordt elk item gescoord op de aan- of afwezigheid van een specifieke individuele contextuele factor, ten tweede wordt voor elke item een evaluatie gemaakt die is genoemd ‘effectevaluatie’ voor de SORM/effectmeting en risico-effect voor de SORM/risicomonitoring. Hierbij gaat de beoordelaar na wat volgens hem of haar de invloed is van de aan- of afwezigheid van de specifieke omstandigheid op het effect of op het risico op recidive. De dertig items zijn verdeeld over zes domeinen, waaronder Sociaal netwerk, Klinische factoren en Subjectieve waardering. Dit instrument is speciaal ontwikkeld voor management van risicofactoren en behandeleffecten bij forensische patiënten die in de samenleving verblijven.
SRM-AV Zelfrapportage-vragenlijst De aangepaste Versie van het Sociomorele Reflectie Meetinstrument (SRM-AV; Hornsveld, Kraaimaat, & Zwets, 2012) is bedoeld voor het meten van morele rijpheid. Het instrument omvat 20 items in de vorm van stellingen, verdeeld over vier subschalen, te weten: Fatsoenlijk gedrag verwachten van anderen (bijvoorbeeld: ‘Hoe belangrijk vind je het dat anderen je met respect behandelen?’), Anderen aanspreken op hun wangedrag (bijvoorbeeld: ‘Stel: je merkt dat een vriend van je in harddrugs dealt. Hoe belangrijk is het dat dealen verboden is?’), Zelf fatsoenlijk gedrag vertonen jegens anderen (bijvoorbeeld: ‘Hoe belangrijk is het dat mensen in het algemeen eerlijk zijn?’) en Helpen van hulpbehoevenden (bijvoorbeeld: ‘Stel: iemand met een handicap durft de straat niet over te steken. Hoe belangrijk is het die persoon met oversteken te helpen?’). Respondenten wordt eerst gevraagd hoe belangrijk zij de stelling vinden die in een item wordt geponeerd, gevolgd door de vraag om de argumenten voor hun mening op te schrijven. Voor de scoring van de antwoorden op de belangrijkheid van een stelling wordt gebruik gemaakt van een vijfpuntsschaal, lopende van 1 = erg onbelangrijk tot 5 = erg belangrijk. De antwoorden op de vraag naar de argumentatie worden gescoord met behulp van een zevenpuntsschaal. De punten op deze schaal zijn omschreven conform de vier fasen en drie overgangsfasen van Gibbs, Basinger en Fuller (1992).
SRZ-P Assessment De Sociale Redzaamheidschaal voor Zwakzinnigen-Plus (SRZ-P; Kraijer & Kema, 1994 ) meet het sociaal aanpassingsvermogen. De SRZ-P is bedoeld voor personen met een verstandelijke handicap, van (ruim) matig zwakzinnig t/m licht zwakzinnig/zwakbegaafd, vanaf 12 jaar
SSA Risicotaxatie De Static/Stable/Acute (SSA) is een combinatie van statische en dynamische instrumenten voor het inschatten van het risico van toekomstig seksueel en gewelddadig delictgedrag bij zedendelinquenten. De SSA combinatie kan gebruikt worden om beslissingen te nemen omtrent behandeltoewijzing, verloven of het bepalen van intensiteit van toezicht en begeleiding bij terugkeer in de samenleving. Daarnaast is de SSA combinatie van waarde bij het bepalen van behandeldoelen en het evalueren van vooruitgang in de behandeling. De drie instrumenten zijn van oorsprong Canadees en in 2014 in het Nederlands vertaald. Zie ook: https://www.deforensischezorgspecialisten.nl/files/Factsheet_STATIC_STABLE_ACUTE_2015.pdf en https://www.deforensischezorgspecialisten.nl/onderzoek/risicotaxatie-instrumenten/volwassenen/static-stable-acute/
SSPI Screening De Screening Scale for Pedophilic Interests (SSPI; Seto & Lalumière, 2001) is een met de RRASOR vergelijkbaar instrument, dat aan de hand van vier slachtofferkenmerken probeert aan te geven of er sprake is van een afwijkende seksuele interesse in kinderen. Het instrument bestaat uit vier vragen die makkelijk te scoren zijn (ja/nee antwoorden). Doelgroep: Forensisch, niet-forensisch, Seksueel geweld (Pedoseksuelen). Methode: Actuarieel
STABLE Actuarieel dynamisch risicotaxatie-instrument De STABLE (Hanson et al., 2007) is het verder ontwikkelde stabiele dynamische gedeelte van de SONAR. De instrumenten STABLE en ACUTE worden vaak samen gebruikt en zijn ontwikkeld om als aanvulling te dienen bij de STATIC-99/2002 (zie ook SSA). De STABLE heeft 17 stabiele dynamische items in vijf domeinen te weten: • intimiteitsproblemen, • sociale invloeden, • algemene zelfregulering, • seksuele zelfregulering, • de mate van samenwerking met toezicht. De items van de STABLE zijn minder gemakkelijk te scoren dan de statische actuariële instrumenten, omdat dynamische factoren vaak een inschatting van een psychologische toestand inhouden. Wel kent de STABLE een handleiding met zo strikt mogelijke scoringsregels en een semigestructureerd interview, zowel voor klinische als ambulante patiënten. Dit maakt het instrument ook geschikt voor gebruik in een minder specialistische setting. De coderingsregels van de STABLE-2007 zijn vrij beschikbaar (Hanson et al., 2007) in het Engels. Aan een Nederlandse vertaling wordt momenteel gewerkt (van der Hoevenkliniek).
START Risicotaxatie-instrument De Short-Term Assessment of Risk and Treatability (START; Webster et al., 2004; Nederlandse versie; 't Lam, Lancel & Hildebrand, 2009) is een lijst van 20 items voor herhaalde beoordelingen op zeven risicodomeinen (geweld naar anderen, suïcide, zelfbeschadiging, zelfverwaarlozing, ongeoorloofde afwezigheid, middelengebruik en slachtofferschap). Deze 20 items worden gelijktijdig op twee driepuntsschalen gescoord. Ten eerste als risico (0 = niet aanwezig, 1 = in enige mate aanwezig, 2 = duidelijk aanwezig) en ten tweede als sterkte (0 = niet aanwezig, 1 = in enige mate aanwezig, 2 = duidelijk aanwezig). De START brengt de risicogebieden en de mogelijke beschermende factoren in kaart om daarover met de patiënt in gesprek te gaan. GGZ Drenthe introduceert de START momenteel in Nederland en heeft een vertaling ontwikkeld ('t Lam, Lancel & Hildebrand, 2009). Inmiddels werken ook andere instellingen, zoals AFP's in Groningen, Friesland en Drenthe en verschillende TBS klinieken met START.
STATIC-2002 Actuarieel statisch risicotaxatie-instrument De STATIC-2002 (Hanson & Thornton, 2003) is een gewijzigde versie van de STATIC-99. De 13 items van de STATIC-2002 zijn onderverdeeld in vijf clusters: leeftijd, persistentie van seksuele delicten, deviante seksuele interesses, relatie tot slachtoffers en algemeen crimineel gedrag. De itemscores worden per cluster opgeteld en leiden tot een bepaalde clusterscore. De clusterscores worden opgeteld tot een totaalscore, die leidt tot een indeling in vier risicocategorieën. Deze scoringsprocedure vereist wel een hoge mate van zorgvuldigheid, ook al omdat de toegevoegde items lastig in de dossiers zijn terug te vinden. Over zaken als arrestaties voor zedendelicten in de jeugd, twee of meer slachtoffers onder de 12 van wie minstens een geen familie is en aantal jaren in vrij-heid voor het plegen van het indexdelict is vaak moeilijk uitsluitsel te geven. De STATIC-2002 wordt internationaal aanzienlijk minder gebruikt dan de STATIC-99. De coderingsregels van de STATIC-2002 zijn vrij toegankelijk (Hanson & Thornton, 2003), maar niet in een Nederlandse vertaling beschikbaar.
STATIC-99R Actuarieel statisch risicotaxatie-instrument De STATIC-99(R) is internationaal het meest gebruikte en meest onderzochte instrument in zijn soort. Het instrument is voortgekomen uit het onderzoek van Hanson & Thornton (1999,2000), waarin zij alle items van de RRASOR en een deel van die van de SACJ-Min verenigen. De STATIC-99(R) bestaat uit 10 items over eerdere seksuele, gewelds- en overige delicten, slachtofferkenmerken, relationeel verleden en leeftijd. De totaalscore van de items ligt tussen de nul en de 12 en leidt tot een indeling in vier risicocategorieën van laag tot hoog. De STATIC-99 is ook vertaald in het Nederlands (Van Beek, De Doncker & De Ruiter, 2001) en is in gebruik bij de reclassering en in de TBS-sector.
StiP-5.1 Semi-gestructureerd interview Het Semi-gestructureerde Interview voor Persoonlijkheidsfunctioneren DSM-5 (StiP-5.1; Hutsebaut et al., 2015) is een instrument bedoeld om de ernst van persoonlijkheidsproblematiek in kaart te brengen. Voor verder informatie zie: http://www.kenniscentrumps.nl/stip-5
STM-lijst Observatielijst De Observatielijst voor SocioTherapeutisch Medewerkers (STM-lijst; Brand & Nijman, 2007) beoogt onder andere sociale vaardigheden, coöperatie, zelfredzaamheid en copingvaardigheden van forensisch psychiatrische patiënten te meten. Brand & Nijman (2007) onderzochten deze lijst voor sociotherapeuten of groepsleiders op grond van metingen verricht in het voormalige Meijersinstituut, een instituut voor TBS-selectie, n = 556 en in FPC De Kijvelanden, n = 100.